het Theater Festival

Schiet niet op de pianist!

vr 31 aug 2018

Tom Goossens en Wouter Deltour leerden elkaar kennen op Theater Aan Zee. Tom wilde voor zijn masterproef Don Giovanni bewerken naar het theater en vroeg of Wouter niet mee met hem in zee wilde. ‘Tom had Don Giovanni al eens proberen opvoeren’, zegt Wouter. ‘Maar toen zat iedereen op zijn eilandje: de zangers apart van de acteurs, en de pianist die vertrok nadat de laatste noot gespeeld was.’ Samen wilden Wouter en Tom het anders aanpakken. 

Ans Van Gasse

(c) Yuri van der Hoeven

Jullie willen met DESCHONECOMPAGNIE opera bij de mensen brengen. Wat is daarvoor je drijfveer, naast je liefde voor opera?

Wouter: Die prachtige muziek van Mozart… Dat speelt zo puur op je emotie. Zelfs na één seconde kan ik al huilen bij mooie muziek. Dat komt bij mij veel sneller aan dan theater.

Wat wij maken met DESCHONECOMPAGNIE is ook echt muziektheater. Eigenlijk wil ik klassieke muziek in het algemeen dichter bij de mensen brengen. Met opera heb je een verhaal, wat wel al helpt om op zoek te gaan naar een toegankelijkere vorm. In een symfonie of een strijkkwartet heb je nu niet echt letterlijke personages.

Het publiek voor opera blijft wel heel klein door het oubollige imago. Daarnaast is opera enorm duur. Ik zou het wel leuk vinden als dat anders kon. De drempel om te kunnen genieten van zoiets moois ligt dan toch héél hoog.

Waarom kozen jullie er tot nu toe voor om enkel bestaand werk te gebruiken?

Het was vooral een vormexperiment. Het was fijn om klassieke muziek eens anders te benaderen. We streven wel naar perfectie, maar gebruiken het mogelijke: acteurs hebben ook gewoon heel andere troeven dan een operazanger of -zangeres. Daar kan je ook van alles uithalen. We hebben voor het personage Donna Carina bijvoorbeeld een aria naar het Nederlands vertaald die zij eigenlijk ‘melodisch’ spreekt. Je hoort de cadans, de hoogtes en de laagtes: de aria blijft herkenbaar.

Op die manier, met jonge acteurs en weinig bombast, kunnen we die werken veel toegankelijker maken. Laatst sprak ik nog een componist die radicaal tégen dat ‘herkauwen’ is, wat ik ergens misschien wel begrijp. Toch vind ik dat het niet het één of het ander is: uit dat her-uitvoeren kan je ook heel wat leren.

Voorlopig is het gewoon ook nog te vroeg voor eigen werk: we moeten nog wel een paar stappen verder voordat ik me daar klaar voor voel. Een opera voor kinderen schrijven lijkt me echt heel leuk, maar voorlopig gaan Tom en ik de Da Ponte-trilogie afwerken. Als we op deze manier een nieuwe opera zouden willen maken, moeten we naar die vorm componeren: dan moet het toch nog meer in onze vingers zitten.

Wat verlies of win je met jullie manier van uitvoeren?

Het is goedkoper. (lacht) Ik denk dat je je gemakkelijker kan identificeren met één persoon achter een piano dan met een orkest, je kan het ook makkelijker een rol geven. Je verliest wel de ongelofelijke klanken van een orkest, maar je kan wel zeer verfijnd werken.

Op welke manier heb je eigenlijk de bombastische muziek van Mozart omgezet naar deze eenmansuitvoering?

Om kosten te besparen worden opera’s doorgaans gerepeteerd met een pianoreductie. Er is dan een partituur voor de zogenaamde repetitor. Vandaaruit ben ik vertrokken; af en toe simplificeren, knippen, aanpassen,… Eigenlijk zocht ik vooral naar een manier om het te doen swingen in balans met de uitvoerende acteurs. Indrukwekkendere aria’s vragen wel een meer getrouwe uitvoering: dat moet je natuurlijk uitspelen.

De stiltes in muziek zijn ook zeer belangrijk, zeker in die theatercontext. Daarom beslisten we sommige delen niet te overstelpen met pianomuziek. Dat bevordert niet alleen de verstaanbaarheid, maar zorgt ook voor extra sfeer. Als ik daar dan in stilte op scène zit, denk ik ook dat ik een soort rust kan uitstralen.

De piano is bij Don Juan ook fysiek op scène. Dat benadrukt het gespeelde of het artificiële van muziek: we vertellen een verhaal op een manier waarop dat in het echte leven niet gebeurt.

Er wordt op een paar niveaus heel meta gespeeld met de grenzen van theaters. De acteurs stappen ook in het publiek, nemen hun hand vast.

Wat ik vooral belangrijk vond is dat in het begeleidend tekstje altijd staat dat er een pianist, drie acteurs en een zangeres zijn. Die pianist zou meestal niet vermeld worden. Nu wordt het dus een officiële rol, één die dan nog beslist wanneer er gezongen wordt — het lijkt wel een soort God-figuur. Ik denk dat veel mensen ook via mij en mijn reacties op de spelers naar het geheel kijken. Mocht ik zowat naar mijn partituur zitten staren zou dat voor het publiek misschien een gespannen sfeer veroorzaken, dus ik reageer best sterk. De acteurs reageren ook, ze kijken naar mij, ze verstoppen zich erachter, ze spelen met de piano. Hij is actief aanwezig in het spel, en ik ben een beetje één met de piano.

Wat volgens mij veel doet, is de manier waarop ik opkom. Ik zit bij de acteurs aan een tafeltje en wandel samen met Leperello op scene. Op dat moment maken wij contact — iets waar Tom en ik veel op hebben gehamerd — en met die handeling wordt mijn rol geïnstalleerd.  Ik ben een deel van het geheel, aanwezig ín het verhaal. Als ik speel, zeg ik principe iets samen met een acteur.

Wat is voor jou je meest dierbare muzikale herinnering?

Ik ga nooit vergeten dat ik op het Lemmensinstituut jaarlijks een passie van Bach mocht uitvoeren. Zo’n goede dirigent, goede muziek en een geweldig koor. Zalig.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Tags: , ,