het Theater Festival

COLUMN: Onder ‘Begrafenis van een boer’ draait een lachband

zo 18 sep 2022

Maria Magdalena de Cort

Ik vertel aan mijn vrienden op café dat ik als kind gewaarschuwd werd voor dronken mobilisten in tractors eerder dan voor ontvoerders. Het is een goede catchphrase, een clickbait-worthy titel en grappig bovendien, merkt iemand op. Ik neem het aan als een compliment over mijn manier van vertellen eerder dan over de plausibel humoristische aard van het verhaal. Er wordt minder gelachen met de anekdote over de boer die met zijn tractor in de gracht reed en onze buur die de lege vodkaflessen uit de cabine haalde vooraleer hij de hulpdiensten contacteerde. Het zet een opgewonden filosofisch gesprek in gang over de folkloristische drang naar drank, specifiek op het platteland. Mijn vrienden en ik zijn bewogen genoeg om ons in te lezen in het penibele leven van boeren vandaag de dag, maar ook melancholisch genoeg om uren voor Léon Frederics ‘Begrafenis van een boer’ te blijven staan. Het toenemende dronkenschap is in die verbeelding niet onmiddellijk het gevolg van de alarmerende toestand waaronder onze romantische familieboerderijen kwijnen waardoor ze verdwijnen, het hoort louter als een lijst om het schilderij. 

Op café ben ik trots om hen van een waaier aan boerendrama’s te voorzien die uit een periferisch stripverhaal lijken te komen. Het knelt ook, want die verhalen leven enkel in de stad; in de straten tussen de velden wordt er heilig over gezwegen. ‘Het is grappig dat het Pajottenland ook echt letterlijk als een aardappel klinkt’, zegt de voorstadsjongen. Hij wil er gaan wandelen, zegt hij, want wandelen leidt tot denken. De pronostieken van de tarweoogst zijn beter dit jaar dan het vorige, weet hij ook. 

‘Op een zondagmiddag zaten mijn kersvers lief, mijn broer en ik op een rijtje in de drie-zetelcamionette.’ De sfeerbeschrijving van het volgende tafereel uit mijn ouderlijk dorp draagt gelijkenissen met de tekstjes van de scheurkalender De Druivelaar. Ik scheur achttien november af: de dag waarop er zich een real-life boerendrama op onze oprit afspeelde. Mijn lief heeft de eerste ontmoeting met mijn familie achter de rug en een autorit naar het treinstation in de stad voor de boeg. We zitten gemoedelijk tegen elkaar gekneld in de zeteltjes van de auto. De tractor van de derde generatie boer van de aangrenzende familieboerderij met daarachter de gezinswagen van de tweede generatie boer uit diezelfde familie blokkeren onze oprit. Wij kijken vanop de eerste rij toe hoe de vader zijn zoon uit de tractor sleurt waarmee hij tijdens een dronken ruzie is vertrokken. Zij maken, beiden aangeschoten, loeiende ruzie, terwijl wij in stilte onze gordels vastklikken en geen moment proberen te missen. 

Mijn broer en ik zijn geconditioneerd door deze taferelen. Ik denk enkel aan mijn trein die binnenkort zonder mij vertrekt. Pas wanneer ik de blik vol mededogen van mijn lief zie, word ik me bewust van het diepgewortelde coping-mechanisme dat mijn broer en ik delen. Dat van het fictionaliseren, tekstballonetjes plaatsen en lachbanden kleven. En op café, wanneer ik mijn vrienden vermaak met de hedendaagse sagen der landerijen, voel ik dat die manier van denken er geen is die ik meteen zal kunnen loslaten. Zoals ook een land verbouwen geduld eist. Tot dan is de slotzin van de anekdote een verzachtende: ‘De vader, kan je wel zeggen, had nog een appeltje te schillen met zijn zoon.’ Daarmee is het verhaal rond en gedaan, terwijl de jaarcyclus van de boer door blijft gaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Tags: