het Theater Festival
do vr za zo ma di wo
08 09 10 11 12 13 14
15 16 17 18      

Pitch is a bitch

wo 31 aug 2016

Ans Van den Eede en Wannes Gyselinck over pitchen

Vandaag vond de Roel Verniers Prijs plaats. Acht jonge theatermakers presenteerden in een pitch hun idee voor een gedroomde nieuwe voorstelling aan een jury. Wie de fel begeerde prijzenpot won, was bij het ter perse gaan van deze krant nog niet bekend. Ans Van den Eede en Wannes Gyselinck van het gezelschap Hof van Eede zijn geen fan van ‘pitches’. Tijdens Theater Aan Zee, in de context van een ontmoeting tussen Vlaamse en Nederlandse theatermakers en programmatoren, lazen zij volgende speech voor die we jullie niet willen onthouden. “Het pitchen van een voorstelling die nog niet bestaat, voelt als de glanzende carrosserie aanprijzen van een wagen waarvan de motor nog niet werkt.”

(c) Jasper Leonard

Ik wil graag beginnen met een anekdote. Vorig jaar kregen we de uitnodiging om tijdens de Operadagen Rotterdam deel te nemen aan ‘Operatie Muziektheater’. We kregen die uitnodiging veertien dagen voor de deadline waarop onze tekst van onze laatste voorstelling, Paradis, onze eerste muziektheaterproductie i.s.m. muziektheater LOD, af moest zijn. Operatie Muziektheater: het klinkt urgent maar ook strijdvaardig. Het muziektheater mag dan in nood verkeren, een netwerkmoment kan redding bieden. Ik heb die dag mijn eerste ‘pitch’ gegeven. Die mocht maximum 4 minuten duren. Vier minuten om je voorstelling als maker aan de aanwezige programmatoren te pitchen (ja, het is ook een werkwoord). Als ik zeg 4 minuten dan moet u weten dat het ook effectief 4 minuten waren en geen seconde langer. Drie en een halve seconde. Mijn pitch was drie en een halve seconde te lang. De man met de stopwatch bedankte me allerhartelijkst maar onverbiddelijk net voor ik mijn laatste zin, mijn negen laatste woorden, mijn laatste drie en een halve seconden kon uitspreken (lijzig): “Because, don’t we all long for this lost paradise?” Drie en een halve seconde peilloze diepzinnigheid, én op de koop toe een enorm verkooppotentieel.

Na een eerste repetitie thuis bleek het kort en bondig uitleggen van onze artistieke plannen voor onze voorstelling-in-opbouw 10 minuten en 14 seconden te duren. En we hadden toen al heel erg streng zitten schrappen. Maar geen nood: ‘Operatie Muziektheater’ bood alle pitchers een feedbackmoment aan, inclusief training: ‘hoe schrijf/breng ik een pitch’. Een ‘prepitch’-moment, noemden ze het, met advies van professionals. Maar daarvoor hadden we geen tijd. We hadden tenslotte een theatertekst af te werken. En dan merk je plots dat je twee dagen van die laatste veertien dagen dan toch nog besteed hebt aan het pitchen van een voorstelling die nog niet bestaat: het voelt wat als de glanzende carrosserie aanprijzen van een wagen waarvan de motor nog niet werkt. Waarschijnlijk zouden ze tijdens die pre-pitch workshop gezegd hebben dat ik mijn anekdote nu best moet afronden. Iets met concentratiebogen enzo. Ik ben denk ik ondertussen ook al drie minuten bezig.

 

“Het viel me op hoeveel professioneler de pitches van de Nederlanders waren. Ik dacht: dat moet gewoon typisch Hollands zijn.”

 

Waar ik toe wou komen is dit. In de voormiddag kwamen alle Vlaamse gezelschappen aan de beurt – tot mijn geruststelling zag ik hoe nerveus ook Arne Sierens in stilte zijn pitch aan het lippen was in afwachting van zijn beurt. In de namiddag was het aan alle Nederlandse gezelschappen. Het viel me op hoeveel professioneler de pitches van de Nederlanders waren: met trailers waarin cast en regie werd uitgelicht, snappy sound-bites uit interviews met acteurs en makers, fragmenten uit de voorstelling, vaak ook nog begeleid met live muziek. Ik dacht: dat moet gewoon typisch Hollands zijn. De Nederlanders weten hoe ze dit moeten aanpakken. De Hollandse koopmansgeest strikes again. Tot enkele Nederlandse jonge makers aan de beurt waren. Ze presenteerden hun werk met de moed der wanhoop, eerder smeekbede dan pitch. Ik zag plots de glitches in de pitches. Of was dit allemaal projectie?

Pitch is eigenlijk een afkorting van sales pitch: een verkoopspraatje voor mogelijke investeerders. Vanuit de wereld van koophandel en reclame is het overgewaaid naar de film. En nu dus ook het theater. Het muziektheater zelfs, godbetert. Pitchen is dus niet hetzelfde als over je werk praten. Pitchen is over je werk praten maar alle plooien erin gladstrijken, de kwetsbaarheid die eigen is aan het artistieke werk eruit weghalen, tenzij die kwetsbaarheid natuurlijk juist een unique selling proposition is, dan moet je die ‘uitspelen’. Pitchen is de warme, vaderlijke glimlach van de autoverkoper, de vertrouwenwekkende handdruk van de verzekeringsmakelaar. Het organiseert wantrouwen tegen elke vorm van vriendelijkheid, oprechtheid, een glimlach, een handdruk.

Natuurlijk is dit niet typisch Nederlands. Ook in Vlaanderen gebeurt dit. Ik ging bijna zeggen: gebeurt dit intussen ook al. Wat me die dag vooral opviel is hoe goed de Nederlanders dat intussen konden, pitchen. Hoe zeer het blijkbaar al part of the job is geworden. Een nieuw performance genre eigenlijk, met typische genre-kenmerken. Maar dus ook de wanhoop bij die jongere makers, met kleinere budgetten, die alles zelf moesten doen. Dus ook pitchen. Die dat eigenlijk nog het eerlijkst van allemaal deden: met duidelijke, ongeveinsde wanhoop. Het voelde die dag toch even alsof ik in de toekomst kon kijken: hoe het moet voelen als makers makelaars worden, voorstellingen niet meer dan voorstellen voor investering. Wat me die middag opviel is dat Nederland zich sinds die desastreuse besparingen in het overheidsbudget voor de kunsten een totaal ander discours eigengemaakt had. Of had moeten eigen maken.

 

“Zo’n pitchdag doet zich voor als iets wat wil faciliteren, maar legt eigenlijk een nieuw gebod op: maak werk dat verkoopbaar is.”

 

Ik zag die dag het Matheus-effect in actie: organisaties met geld, kunnen zichzelf professioneler verkopen, kunnen op die manier hun verkoop nog verder professionaliseren enz. Ik zie ook dit: de ‘nieuwe werkelijkheid’ doet een nieuwe, geldverslindende industrie rond de financieel krappe kunstensector groeien die mikt op verkoop, pr, netwerkevents. En ja, die investering zal zich voor die grotere organisaties vermoedelijk terugbetalen. Maar intussen stroomt dat geld niet richting kleinere makers. Maar erger nog dan die geldstromen: wat op zo’n dag verkoopt is natuurlijk ook wat zich goed laat verkopen. En wat verkoopt is datgene wat mensen al kennen: BV’s (of BN’s), spectaculaire decors, grootschaligheid, theater gebaseerd op bestsellers. Zo’n pitchdag doet zich voor als iets wat wil faciliteren, maar legt eigenlijk een nieuw gebod op: maak werk dat verkoopbaar is. Moeilijker te slijten is werk dat mensen nog niet kennen, complexer werk, werk dat zich moeilijker laat verwoorden, werk dat je dus eigenlijk moet zien om echt te weten wat het is. Niet dat het publiek het niet wil, het weet alleen nog niet dat het het wél wil, omdat het het nog niet kent.

Wat heeft dat met Vlaanderen en Nederland te maken? Wat ik die namiddag zag was wat er gebeurt als er kunstmatige schaarste heerst. Die is er intussen ook in Vlaanderen, zeker na de voorbije subsidieronde. Als ik even de economische pet mag opzetten: een mogelijk antwoord op zo’n situatie is protectionisme. De eigen markt beschermen. Geen buitenlandse producten importeren. De grenzen sluiten.

Ik wil als jonge maker net pleiten voor smokkelroutes. Voor een welig tierend zwart marktje, waarin Nederlanders en Vlamingen toch samenkomen, uitwisselen, samen maken. Want we weten wat er gebeurt als markten worden afgegrendeld: kruisbestuiving verdwijnt, de productie stagneert, monocultuur dreigt. Ik zou willen pleiten voor smokkelroutes die niet louter door makers, door theaterscholen – daar moet het eigenlijk beginnen – niet louter door de gezelschappen zelf, maar ook door de bemiddelende organisaties actief worden aangelegd en opengehouden. Doen wat al gebeurt, maar verder gaan dan wat er al gebeurt: voorstellingen uitwisselen tussen Vlaamse en Nederlandse festivals – het Theaterfestival, TAZ en Boulevard, over het IJ, noem maar op – maar die voorstellingen ook de tijd geven om daar een publiek te vinden, door ze niet eenmalig, maar als reeksje te presenteren. De festivals kunnen dan ook inzetten op het uitnodigen van programmators. Want we willen graag verkopen, tuurlijk. Een deBuren-Nederlands-Vlaams-theaterfestivalletje voor voorstellingen van jongere makers die goed zijn maar de grens niet over geraken? Een low budget livestream-festivalletje tegelijk in NL en in VL? Ik wil het gerust ergens komen pitchen. Of waarom geen Brakke Grond voor Nederland in Brussel die actief de banden met de Vlaamse culturele centra aanhaalt?

Laat ons ons werk verkopen door dat werk zelf te tonen, niet door er een sierlijke strik rond te leren knopen. Geef jonge makers de kans om hun werk voor zich te laten spreken, door het te kunnen spelen. Zoals dat vroeger ging. “Because, don’t we all long for this lost paradise?”

Ans Van den Eede en Wannes Gyselinck

 

Op 22/09/2011 overleed Roel Verniers. Roel studeerde af als theaterregisseur aan RITCS, en werkte later ook als journalist, programmator en directeur van het TheaterFestival. In 2012 werd de Roel Verniers Prijs in het leven geroepen. Aanvankelijk reikte een jury een prijs voor beste regietalent uit aan één van de makers uit het Circuit X-programma. Sinds 2016 werd ervoor gekozen om voor met het systeem van een ‘pitch’ te werken, om meer jonge makers de kans te geven om hun project voor te stellen aan publiek en programmatoren.

Dit waren de winnaars van de afgelopen jaren:

2012 Simon Allemeersch voor Het fantastische leven van de heilige Sint-Christoffel

=> Prijzengeld verdeeld onder de spelers

2013 Suzanne Grotenhuis voor Zwarte Woud Forever

=> Prijzengeld geïnvesteerd in nieuwe creatie ON ICE

2014 Jonas Vermeulen & Boris Vanseveren voor The Great Downhill Journey of Little Tommy

=> Prijzengeld geïnvesteerd in de cd-opname van de voorstelling

2015 Sachli Gholamalizad voor A reason to talk

=> Prijzengeld geïnvesteerd in een nieuwe computer en Final Cut, met oog op videomontage voor nieuwe voorstelling (Not) my paradise (première 20/9 in KVS)

Dit jaar stelden acht theatermakers(collectieven) hun idee voor in een pitch:

Geert Belpaeme

Evelien Bosmans, Marlies Bosmans, Victor IJdens, Rein Graven en Marijn Graven

Talitha De Decker

Reynout Dekimpe

Michai Geyzen

Fien Leysen

Mahlu Mertens

Marthe Schneider & Tim De Paepe

Tags: , , , ,