het Theater Festival

SAVE THE DATE 02 SEP - 12 SEP 2021 ANTWERPEN

Jan Hulst en Kasper Tarenskeen over Scheeps-horeca

do 01 sep 2016

“Scheeps-horeca is een coming of age-drama over drie vrienden in een heel extreem tijdperk”

Jan Hulst (28) en Kasper Tarenskeen (27) maakten de afgelopen twee jaar voorstellingen aan de lopende band. Metamodernisme, spelen met identiteit en zelfverkozen naïviteit: het
zijn maar enkele van de termen waarmee hun werk omschreven wordt. Via Skype had ik een fijn gesprek met de Amsterdamse heren over Scheeps-horeca, hun voorstelling in het Circuit X-luik op het TheaterFestival. –  Danny De Jong

Kasper Tarenskeen en Jan Hulst (c) Pieter van den Boogert

Dag Jan en Kasper. Vanavond spelen jullie voor de allereerste keer in Vlaanderen. Hoe voelt dat?
Jan Hulst: Vorig jaar liep ik stage als regieassistent voor Guy Cassiers, bij de productie Macbeth van Toneelhuis. Toen heb ik een paar maanden in Antwerpen gewoond. Ik ben erg blij om nu terug te zijn en hier met onze eigen voorstelling te kunnen spelen!
Kasper Tarenskeen: Eigenlijk vind ik het altijd leuk om in het buitenland te komen. Dit voelt dus een beetje als een minivakantie voor ons (lacht).

Kunnen jullie iets meer vertellen over hoe Scheeps-horeca tot stand kwam?
Kasper: Scheeps-horeca is de tweede voorstelling die we zelf hebben geschreven. Meestal vertrekken we in onze eigen stukken vanuit een personage dat we interessant vinden of een ‘arena’ die ons inspireert. En in dit geval was dat een Indonesische wok-kok. We wilden een voorstelling maken over een kok die op weg was naar het oosten om daar lekkere specerijen te vinden. En dan kwamen we al snel terecht in de tijd van de ‘Verenigde Oost
Indische Compagnie’ (de bekende Nederlandse koloniale handelsorganisatie uit de 17de en 18de eeuw, red). We ontdekten dat die wok-kok gewoon Conimex was, jeweetwel, de grond-
legger van de lekkere Nederlandse smaakjes in de Nederlandse supermarkten. Dus maakten we van die Conimex een personage.
Jan: En dat was het begin. Vervolgens kwamen we er via wat ge-Wikipedia achter dat Jan Pieterszoon Coen een behoorlijk interessant figuur is geweest uit de Nederlandse koloniale tijd, maar we wisten tot dan toe weinig van hem. Hij was de grondlegger van de connectie tussen Nederland en Indonesië. Hij was de eerste die daar handelsposten opende en eigenlijk ook de architect van de hele VOC. Die ‘Verenigde Oost Indische Compagnie’ heeft de hele handelsroute geïnstalleerd. Die Coen is dus een belangrijke meneer geweest, want zijn verhoudingen kun je nu nog steeds terugvinden in West en Oost. Coen is het tweede
personage uit Scheeps-horeca

(c) Bas de Brouwer

Kasper kan heel goed Indisch koken en Jan is één twaalfde Indisch. Wilden jullie per se iets met hun roots doen?
Kasper: Nee, het was toevallig, en het is vooral ook voor de PR goed gebleken.

Hoe kwamen jullie op het idee om een voorstelling te maken rond een Indonesische wok-kok?
Kasper: Het kwam voort uit een improvisatie van Jim Deddes, een van de acteurs met wie we vaker samenwerken. Tijdens de repetities van onze vorige voorstelling, De rekening, stonden we buiten en hadden we het over chefs in de VOC-tijd. We beseften hoe dom dat
geweest moest zijn: chefs die met beperkte middelen een gerecht lekker probeerden te laten smaken. 1000 variaties maken met enkel meel, een aardappel en een tulpenbol ter beschikking. We waren daarover aan het freestylen en dat vonden we heel grappig om naar
te luisteren. Vanuit die sketch zijn we scènes gaan creëren en toen ging het al snel over kolonialisme en het marktwezen.
Jan: Eerst heette de voorstelling nog Haute Tosti’s (croque madames in het Vlaams, enfin, in het Frans, red.) Dat was lang de titel, totdat we Scheeps-horeca nog beter vonden. 

 

“Een huiskamerdrama schrijven op een VOC-schip is een succesformule”

Waarover gaat Scheeps-horeca volgens jullie?

Kasper: Scheeps-horeca is coming of age-drama over drie vrienden in een heel extreem tijdperk. Drie vrienden zijn op weg naar ‘de Oost’, elk met een ander motief. Een van de jongens is gewoon een heerlijke romantische flierefluiter die zijn liefje achterlaat in Amsterdam om op zoek te gaan naar avontuur. Daarnaast heb je Coen, die een stad in ‘de Oost’ start. Conimex, tot slot, wil er gewoon lekkere smaken zoeken. We hebben geprobeerd om drie jongens zoals onszelf en onze vrienden neer te zetten, alleen dan
in heel extreme omstandigheden, namelijk onderweg op een groot zeilschip naar onbekend terrein. Uiteindelijk branden ze een heel eiland plat, om de peperhandel een beetje in toom te houden en er zo voor te zorgen dat de markt niet overspoeld wordt door alle Engelsen en Portugezen. Niet meteen wat ze in het begin voor ogen hadden.
Jan: Scheeps-horeca gaat eigenlijk over hoe we allemaal onderdeel zijn van grote historische bewegingen, met alle morele gevolgen van dien. Of het nu kleren zijn die door kinderen gemaakt zijn of chocolade waarvan de cacao door slaven gewonnen wordt: als mens zijn we non-stop onderdeel van gigantische bewegingen. Daar zijn we het vaak niet mee eens en dat is toch verdraaid pijnlijk. En daar komt onze romantische hoofdpersoon, de flierefluiter, dan ook achter. Die was op zoek was naar avontuur en verhalen en vond die in het universum van de VOC, zoals in het boek Scheepsjongens van Bontekoe. Maar ze
ontdekken uiteindelijk dat ze naar het oosten gaan om een halve genocide te plegen en een eiland leeg te roven. Een hele zwarte pagina uit de geschiedenis.

Hoe komt het dat jullie als duo samenwerken?
Kasper: Jan zat op de regieopleiding (Amsterdamse Hogeschool voor de Kunstenschool, red.), ik studeerde klassieke zang en opera op het conservatorium. Jan vroeg mij een keer
– want hij kende mij van de straat – of ik niet een ‘usb-stickie’ had waarop ‘moeilijke klassieke muziek’ stond, zodat hij zijn voorstelling pretentieuzer kon maken. Dat stickie is nooit tot bij hem gekomen, maar ikzelf wél om muziek te maken bij zijn voorstellingen. Dat is een beetje uitgegroeid tot een gelijkwaardige samenwerking waarin we samen voorstellingen maken.

Waarom werken jullie vaak met dezelfde acteurs?
Kasper: Omdat we elkaar zo goed kennen, kunnen we makkelijk elkaars publiek zijn wanneer we nieuwe ‘shit’ willen maken. Bovendien helpt werken met dezelfde acteurs ook om een eigen stijl te ontwikkelen. Zij zijn ook leeftijdsgenoten in plaats van leraars of recensenten. Dat vinden we ook belangrijk.

(c) Bas de Brouwer

 

Jullie maakten 4 voorstellingen in 1,5 jaar tijd. Wat verbindt deze voorstellingen?
Kasper: Sinds dit jaar schrijven we zelf. In het schrijven zijn we ons nu aan het ontwikkelen. Ons eerste werk was meer een montagevoorstelling, maar nu zijn we steeds meer echte ‘stukken’ aan het schrijven. We proberen steeds vaker van te voren te bedenken waar een stuk over moet gaan. Ik denk dat daar wel een stijgende lijn in zit en dat willen we graag doorzetten: zelf schrijven en alles zelf doen. Bij onze eerste Frascati-voorstelling The woods gingen we gewoon de bib in en daar zochten we naar een stuk dat bij ons paste, wat telkens toch een vrij krampachtige zoektocht was. We zochten naar een vet stuk dat we actueel konden maken. Nu kunnen we gewoon from scratch beginnen en echt doen waar we
zin in hebben in plaats van dat we over een bestaand stuk nog een radicale bewerking heen moeten gooien. Nu beginnen we gewoon bij nul en dat is wel een heel bevrijdend gevoel.
Jan: Je zou kunnen zeggen dat onze stukken eigenlijk gewoon altijd gaan over jonge mensen die op zoek zijn naar een plek, een thuis – of zich dat nou afspeelt tijdens de Trojaanse oorlog of op een VOC-schip of in een afkickkliniek. Die thuis kan liefde zijn, of
vriendschap. Het gaat eigenlijk altijd over jonge mensen die een plekje proberen te vinden voor zichzelf. 

(c) Bas de Brouwer

Jullie hebben al vaker rond klassieke verhalen gewerkt, waar komt die fascinatie vandaan?
Jan: Het is vaak gewoon een goede kapstok, en het zijn thematieken die bij iedereen meteen een fantasie oproepen, dus ook bij ons. Er zit al heel veel body in klassieke stukken en wij kunnen er dan een draai aan geven. We zijn nu iets aan het schrijven wat zich helemaal in het nu afspeelt, zonder bronmateriaal, en dat blijft toch lastig.
Kasper: Wat gewoon heel fijn is en wat eigenlijk ook heel leuk schrijven is – daarom zijn er ook zoveel van – dat zijn huiskamerdramaatjes. Maar het is nog veel leuker om een huiskamerdrama te schrijven op een VOC-schip. En laat dat nu net een hele goede
succesformule zijn (lacht). En dat is ook wat Jan bedoelt met de uitdaging om het idee van een ‘arena’ los te laten en veel meer op een inhoud te focussen bij de komende voorstellingen. Maar dat is ook meteen het wegvallen van iets heel inspirerends.

Voelen jullie de noodzaak om te blijven maken?
Kasper: Omdat we toch enigszins vertrouwen beginnen te krijgen in ons eigen schrijven, willen we nu wel gewoon een keer proberen het echt over het nu, over onszelf te hebben. Of over wat ons echt bezighoudt.
Jan: Zo’n Trojaanse oorlog zoals in De Ilias (te zien op Oerol, red.) is natuurlijk leuk en daar kun je eindeloos leuke en grappige voorstellingen over schrijven, maar het is ook wel een beetje een uitvlucht van het hier en nu. Dus we gaan nu proberen om het nog oprechter te spelen. Onze eigen binnenwereld – om het met een chique woord te zeggen – serieuzer te nemen. En om ons heen te kijken, gewoon nu.

Simon van den Berg omschrijft de speelstijl van Scheeps-horeca in het zomernummer van Theatermaker als “realisme wordt spel”. Zijn jullie het daarmee eens?
Kasper: De teksten zijn vrij retarded (stompzinnig, red.), en daarom is het fijn dat de acteurs het allemaal concreet nemen allemaal. Omdat die ‘arena’ al vrij gigantisch is en die teksten zelf expres knullig of absurdistisch zijn.
Jan: Ik denk dat we ook wel altijd ergens de hak nemen met de vorm van theater of toneel. We zijn niet zo’n fan van ‘toneel-toneel’. We proberen het gewoon concreet te houden en dat geeft misschien een realistisch gevoel. Van het concreet houden van de tekstzegging, juist omdat die tekst zo abstract is, wordt de tekst hopelijk nog veel meer vervreemdend. 

 

“Een Trojaanse oorlog naspelen is een beetje een uitvlucht van het hier en nu. Onze volgende stukken worden oprechter en gaan meer over ons”

Jullie hebben voor jullie laatste voorstelling crowdfunding gebruikt.
Jan: We hebben nu het geluk gehad dat we onze voorstellingen – ook Scheeps-horeca – altijd onder de vlag van productiehuis Frascati hebben mogen maken. Bij De Ilias kwam
Toneelgroep Oostpool daar ook bij als producent. We hebben echt het geluk gehad dat we tot nu toe nog geen subsidieaanvraag hebben moeten schrijven.

Wat zijn jullie toekomstplannen?
Kasper: In januari komt onze eerstvolgende Frascati-voorstelling uit. Maar daar hebben we nog geen titel voor, we zijn het stuk momenteel nog aan het schrijven. De werktitel is Brexitbody language. Dat is een hele slechte titel, maar ik mag hopen dat we een betere titel kunnen verzinnen tegen dan.

Gaat Scheeps-horeca aanslaan in België volgens jullie?
Kasper: Ik hoop het heel hard. Inclusief de Hollandse humor en directheid! (lacht)

(c) Bas de Brouwer

Tags: , , , ,