het Theater Festival

Tussen kleine rituelen en stille gebeden

ma 03 sep 2018

Bij een afscheid hoort een ritueel. Abke Haring vertrekt bij Toneelhuis. Met haar laatste voorstelling PLATINA zwaait ze samen met Koen van Kaam de mensen uit. Hoe ze dat altijd doet: klein en gebald, de woorden voorop. Als we theater als een ritueel beschouwen, en Abke Haring als spelleider, ontstaat er iets wat doet denken aan een roes. We noemen het een liminale ervaring.

Lotte Ogiers

 

© Kurt Van der Elst

 

(Wachten. Wachten. Het heeft geen begin. Er zijn geen regels. De richting is veranderlijk. Het moment gevangen in een verborgen beweging. Het begin was er voordat je begon en het einde is verdwenen tussen de gordijnen die je opentrok bij het begin.)

De geciteerde woorden komen uit de voorstelling TRAINER die Abke Haring in 2013 voor Toneelhuis maakte. Ze geven heel goed aan wat een liminale ervaring zou kunnen zijn. Het heeft te maken met de voorbereiding van een volgend moment. En tegelijk schuilt er in dat wachten iets wat ons overrompelt. De alledaagse werkelijkheid voelt plots vreemd aan. Er is iets aan de hand.

De term duikt voor het eerst op in antropologische teksten, bij de beschrijving van een ritueel in fasen. Een ritueel begeleidt ons immers van de ene levensfase naar de andere. Van kind naar volwassene. Van vrijgezel naar echtgenoot. Er dient zich iets nieuws aan. Het zijn moeilijke momenten die een duidelijk kader vragen. De dagelijkse werkelijkheid wordt vervangen door symboliek. Zo ontstaat er een intieme beleving tussen de mensen die deelnemen. Beschouw het als een verhaal met een begin, midden en een einde. Als het goed verteld wordt, doet het deugd. Wanneer je het middelste deel bereikt, kan je best even stoppen om adem te halen en na te denken over wat al achter je ligt en wat nog zal komen. Dat midden wordt de liminale fase genoemd. Het is de overgang. We veranderen. Er ontstaan nieuwe mogelijkheden.

Een liminale ervaring creëert een tussenwereld. De werkelijkheid wordt stopgezet. Denk aan een roes. Je slaapt niet en je bent niet ten volle bij bewustzijn. Je bevindt je er ergens tussenin. Ook het theater draagt die roeservaring in zich. De deuren zijn gesloten. Het is donker. Er ontstaat een tijdelijke gemeenschap die samen luistert naar een wereld die alleen in de beleving opgeroepen kan worden. Theater bezit zo de kracht om de kijker te betrekken in een intiem moment. De kracht van de performer om een liminale ervaring op te wekken, schuilt er in om een unieke tijd en ruimte te creëren in de eigenlijke werkelijkheid.

Het theater van Abke Haring wordt wel eens ‘triptheater’ genoemd. Zelf wil ze haar vertellingen eerder beschouwen als momenten waarop de kijker zichzelf kan verliezen in het tastbare van beeld en klank. In een recensie over UNISONO staat dat ze ‘eerder een vorm speelt dan een personage’.  Deze uitspraak kunnen we verbinden met nagenoeg al haar voorstellingen. Haar personages worden nooit benoemd, maar de mens wordt in een benoembaar beeld gegoten. De theatermaakster vertelt over de man, de vrouw, de mens. Ze toont gekende personages uit de maatschappij die nu op theatrale wijze voor onze neus staan. Ze worden geminimaliseerd in beeld en beweging. Hierdoor zijn ze nooit heel menselijk en tegelijk blinken de acteurs uit in menselijkheid door het kader. De abstractie van de bewegingen creëert afstand tussen de kijker en de acteur en tussen de personages. De mensen op de scène leven in hun eigen kader. De voorstellingen vormen zo een ervaring van en voor het individu. Abke Haring reikt aan, maar vraagt ook aan de kijker om mee in de vorm te stappen. Om mee met haar het spel te ontvouwen en aan te voelen: ‘Ik maak niet zozeer toneel voor, maar met het publiek. Je focust samen op een gevoel, op pijn, je gaat daar even door en ervaart samen de hoop. UNISONO is een klein ritueel, een gebed haast.’

Abke Haring schept een theatraal kader om haar vertellingen in te plaatsen en toch kunnen we ook stellen dat ze, schijnbaar, elke illusie van theater verwerpt en zich in haar pure vorm toont.  Ze gebruikt zelf het woord ‘tussenpersoon’ om de status van de acteur te omschrijven. Het lijkt dat ze als een soort moderator tussen zichzelf en de kijker staat. Wanneer Abke Haring haar woorden kiest, is de bedwelming compleet. Ze lijkt ons deelgenoot te maken van haar eigen roes op het podium. Haar taal is bezwerend, de uitspraak dwingend. Haar associatieve taal lijkt een mantra die ons grijpt en een ervaring opwekt die doet denken aan de roes. De woorden en zinnen roepen beelden op. De taal wordt sensitief.

We kijken naar de actrice die in een roes lijkt te verkeren. De kijker wordt deel van haar roes. Deze ervaring zorgt voor een versterking van de band tussen het publiek en de actrice, tussen iedereen in de zaal. De persoonlijke roeservaring maakt plaats voor een gedeelde ervaring. Op deze manier toont Abke Haring haar bezwerende kracht die ertoe leidt dat de theaterervaring geen ervaring van passief kijken wordt, maar (on)bewust worden we deelgenoot van het spel op de scène. Ook al blijven we kijken zonder te bewegen, toch lijken we ons voort te bewegen in de ruimte die Abke Haring tussen zichzelf en de kijker creëert. Het is een ruimte waarin iedereen wordt uitgenodigd om zich te laten bedwelmen in de gezamenlijke roes. Ze verlangt van de kijker dat we tijd doorbrengen met haar, en wel op een actieve manier. Ze verlangt een platonische deelname en zo vangt ze de kijker in haar trip. De grenzen tussen kijker en acteur, tussen betekenis en betekenaar vervagen. De oppositie tussen de dingen vervliegt en dan komen we bij een werkelijkheidservaring die het liminale in zich houdt. We zijn schuldige en slachtoffer in ons gezamenlijk ritueel van kijken en bekeken worden.

Misschien moeten we geen rituelen verzinnen om iemand uit te zwaaien. Maar moeten we gewoon kijken. En blijven kijken. Tot zelfs het einde al weer verdwenen is.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Tags: , ,