het Theater Festival
do vr za zo ma di wo
08 09 10 11 12 13 14
15 16 17 18      

The day got lost and we lost it all

do 06 sep 2018

We hebben een staartbeentje. Daaraan een staart die niet meer bestaat. Misschien zijn we gaandeweg nog wel meer verloren. Maxim Storms probeert in Brother Blue deze brokken niet te lijmen, maar zaait nog meer verwarring. Zijn nonsenstaal en klanken worden afgewisseld met ritmische bewegingen en soms zelfs verstaanbaar Engels. ‘I wish I was a rock, but we all know that I’m not rocky,’ klinkt het zelf­bewust. Het publiek lacht. Zwijgt dan weer. Denkt zelf misschien: een staart hebben we nooit gehad en rotsen zijn we evenmin.   

Lotte Ogiers

 

(c) Leontien Allemeersch

 

Brother Blue is de eerste solovoorstelling van Maxim Storms, die voor zijn andere projecten graag met vrouwen werkt. Met Katrien Valckenaers heeft hij in 2010 Ballet Dommage opgericht. Als je geluk hebt, bellen ze bij jou aan. Of moet de auto in de garage wijken voor een geïmproviseerde bühne. De naam van hun project VOLK zegt het al: ze brengen theater naar de mensen. Ook voor Het TheaterFestival is hij geen onbekende. Vorig jaar werd hij al eens geselecteerd voor de voorstelling Another One, die hij samen met actrice Lobke Leirens maakte. Klutserkrakkekilililokatastrof met Katrien Valckenaers was uitgenodigd voor Circuit X.

Nu, alleen. Eenzaam. De grote speelruimte voor zichzelf. Geen vrouwen. Geen staart. Nonsens en een tekst. Wat gebeurt er als je iets verliest terwijl je dacht dat het er altijd zou zijn? In zijn voorstelling maakt Maxim er een hyperbool van. ‘The day got lost, and we lost it all,’ declameert zijn personage. Hij kijkt rond. Voorzichtig. Neemt zijn stok in beide handen als houvast.

Mensen verzinnen graag termen. En kaders waar alles in past. Een doos die nu en dan uitgeladen kan worden, afgesloten, zodat het sorteren makkelijker gaat. Dit geldt ook voor het werk van Maxim Storms, dat afwijkt, soms zelfs moeilijk leesbaar is. Om ons gerust te stellen bedacht hij zelf de term ‘dadaïstisch treurspel’ voor Brother Blue. Daar komt hij nu op terug. ‘Dat dadaïsme wil ik eigenlijk een beetje achter me laten. Het is te nauw. Absurdisme is een beter woord. Ik heb een voorliefde voor personages die absurd zijn. Ik probeer die uit te vergroten om iets diepmenselijker te maken. Het is niet de bedoeling om de man in de straat te spelen, maar eerder een figuur die het menselijke overstijgt. In Brother Blue ben ik een figuur die zijn staart verliest. Het kan evengoed een dier zijn. Ik ben wel zo getransformeerd dat ik in een fictieve wereld zit. In een ander universum.’

Dat andere universum is leeg. Alleen het personage huppelt er rond. Geen idee waar, de tijd is niet van tel. ‘Aristoteles bestaat niet in mijn voorstellingen,’ lacht Maxim. Een ijsschots wordt het genoemd. Of: een Niemandsland. ‘Lijkt het ook niet op een foto­shoot?’ vraagt hij zelf. Retorisch, net geen knipoog. Hij weet het zelf: ‘Ik wou de focus leggen op het personage. Je krijgt het gevoel dat het een soort portret wordt.’

Het is een foto met veel pixels. Een duidelijke afdruk is er niet van het mannetje zonder staart. In zijn zwarte pakje en met zijn blauw gezicht is Maxim bijna onherkenbaar. Zijn snor beweegt net niet mee wanneer hij de lichtpaarse scène oversteekt. Die snor is er altijd. Al zijn alter ego’s, van de oude man in Siberië in Another One, tot zijn carnavalspersonages in VOLK, ze scheren zich niet. Zou Maxim bang zijn om zijn snor ooit te verliezen?

De Gentse maker houdt van al zijn verschillende alter ego’s. Hij is liever iemand helemaal anders op het podium. Die verschillende identiteiten schuilen ook in Brother Blue, maar dan in de psychologische crisis van één man: ‘Het personage weet zelf ook niet altijd goed wie hij is. Hij is nieuwsgierig en angstig. Hij twijfelt en is eenzaam. Hij is zijn staart verloren. Is dat zijn schuld of die van iemand anders? Moet hij boete doen? Misschien is het een uitvergrote versie van de mens van vandaag.’

 

 

Maxim Storms wordt vaak aangekondigd als ‘de nieuwe Charlie Chaplin’. Misschien omdat ze even groot zijn, of door hun lichaamstaal. De humor die ook lacht met de tijd. Voor Maxim geen Modern Times, geen Chaplin-snor (die van de Gentenaar is dikker). ‘Eerlijk gezegd ken ik hem niet zo goed. Er is eigenlijk niets bij mij dat vertrekt uit humor. Doordat het grotesk is, krijgt het een humoristische laag. Evelyne (Coussens nvdr.) zei in een recensie over Brother Blue dat de vergelijking niet helemaal klopt voor haar. Ik ben er zelf soms door in de war. Als de mensen anders reageren dan ik verwacht had, ben ik bang: is het nog wel goed?’

De twijfel van de maker valt samen met wat hij toont. Nadat het personage gemerkt heeft dat hij zijn staart verloren is, draagt hij een blonde pruik. Er beweegt iets om hem heen, hij wil het met zijn stok bedwingen. De maat slaan. Het juiste ritme vinden. ‘Misschien is dat wel de tweede fase. In plaats van where is my tail nu: where is my hair? De dingen zijn aan het veranderen, en je hebt het zelf niet door.’ De blonde pruik is een kleine rekwisiet­wisseling, maar valt op in de gestileerde ruimte. Het lijkt een anekdote in de voorstelling. Dat was het ook: ‘Jan Steen, mijn coach, vertelde over een vriend die heel veel krullen had. Op een dag gebeurde er iets dat zijn leven zou veranderen. Zijn lichaam reageerde. En hij werd wakker met sluik haar.’

In een anekdote schuilt vaak iets groters. Er wordt iets kleins verteld, zodat we andere dingen beter begrijpen. Zoals hier: het haar dat verdwijnt. Het lichaam dat door een gigantische impact iets geks doet. Zoals mensen die vallen en hun staartbeentje voelen. Voor het eerst. En dat doet pijn. Achteromkijken en de herinnering aan wat er ooit was.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Tags: , ,