het Theater Festival

Liefst van al hadden we het er niet over gehad! (State of the Youth 2018, van en door Aïcha Cissé en Aminata Demba)

vr 31 aug 2018

 

Aminata Demba (links) en Aicha Cissé (rechts) (c) Tina Herbots

 

“To live is to choose. But to choose well, you must know who you are and what you stand for, where you want to go and why you want to get there.”

– Kofi Annan

Kofi Annan werpt met deze quote existentiële vragen op. Laten we beginnen bij “To live is to choose”.

Beginnersgeluk! In 1 woord valt de start van ons professioneel parcours in het theaterveld te beschrijven. Een start zonder diploma in de podiumkunsten. Zonder statuut. De stuwkracht achter dit begin bestond uit een loyale vriendschap tussen twee vrouwen, een intrinsieke liefde die we deelden voor theater, leergierigheid en een sterk verlangen om te spelen. Wij geven in alle eerlijkheid toe dat we in het begin, zo’n zes jaar geleden, zo goed als geen inzicht hadden in het reilen en zeilen van het Vlaams theaterveld. Hoe je je als acteur of maker een weg moet banen van idee tot productie en spreiding, en wat het ambacht van de podiumkunstenaar precies inhield. Tegelijk was het deze onwetendheid die het ongelooflijk spannend maakte, en waren we beiden jong en onbeschreven genoeg om met frisse moed aan deze ontdekkingstocht te beginnen. Bijna tegelijkertijd sprongen we in een onbekend bad om onze passie te voeden. Theater en spelen. We wilden al doende leren, tot aan ons pensioen. Dat was onze keuze!

De eerste jaren na onze sprong kwamen we terecht op het wolkje van beginnersgeluk. We hadden de wind in de rug en ons wolkje bracht ons voor korte termijn in een bevoorrechte positie. We konden er zelf niet meteen de vinger op leggen maar een sympathieke collega-acteur bevestigde het: “Aminata, je zit hier niet voor je talenten, hoor, je zit hier voor de centjes!”, terwijl hij zijn duim en wijsvinger stevig tegen elkaar wreef en knipoogde. Nu hoor ik jullie denken: Schande! Wie zegt er nu zoiets? Maar ik apprecieerde zijn oprechtheid. Er zat immers enige waarheid vervlochten in zijn bijna snijdende woorden. Dat er een algemene inhaalbeweging was rond “kleur op het podium” met ad-hocbeslissingen tot gevolg, was me intussen duidelijk. Maar goed, de reis die we aflegden op deze wolk vergemakkelijkte onze intrede tot een voor ons schijnbaar gesloten universum.

Het heilige vuur van de begindagen raakte echter geluwd, ons wolkje regende uit en onze landing was niet zacht. Al snel werden we geconfronteerd met de realiteit: het grillige acteurs- en makersbestaan en de onzekerheid en instabiliteit die deze beroepskeuze met zich meebrengt. We leerden bovendien welke set aan skills en plantrekkerij je nodig hebt om de rompslomp van de administratie bij te houden opdat je je eigen toekomst enigszins kan verzekeren. Onze vriendschap hielp ons door de iets minder rooskleurige periodes. En voilà, hier staan we dan voor jullie op de opening van het theaterseizoen om onze State of The Youth te brengen.

Aminata: Onlangs ging ik naar Jazz Middelheim. Een vriend van me trad er op als zanger met een orkest achter zich. Terwijl ik het muzikale tafereel bewonderde, kwam een dwingende vraag in me op: Hoe komt het dat we naar een muziekconcert kunnen kijken met verschillende artiesten uit alle hoeken van de wereld?

Spontaan begrijpen we dat de wegen van deze artiesten zich op de één of andere wijze hebben gekruist dankzij een gezamenlijk gedeelde factor: de liefde voor jazz. En bijgevolg kunnen we de melodieuze klanken moeiteloos savoureren. Mocht dit theater zijn met dezelfde artiesten waarbij we de instrumenten vervangen door rekwisieten, dan zou de volgende bevraging bijna vanzelfsprekend zijn: Waarom speelt die ene persoon precies deze rol? Waarom speelt die zwarte vrouw de rol van een oorspronkelijk wit personage? Klopt dit wel? Mag dit wel? Wat willen ze hiermee zeggen? Welke aanklacht is dit? Welke statement dragen ze uit? In de muziek wordt nochtans niet meer gevraagd waarom een zwarte saxofonist naast een witte pianist staat of een Aziatische harpiste, en welk statement er wordt uitgedragen. Enkel het proces van hun samenwerking en de uitkomst telt. De bevraging achteraf gaat over de inhoud van de klanken en wat ze met ons deden.

Aicha: Twee jaar geleden besloot ik om een eerste solovoorstelling te maken. Ik had nog nooit alleen op een podium gestaan. Ik raapte al mijn moed bijeen en sprak met de artistieke directrice van een theater. Ik zei haar dat ik iets te vertellen had: een verhaal. Een verhaal over de liefde. En dat ik dat verhaal graag wilde delen met een groep mensen, liefst een grote groep. En dat ik daarvoor een podium, een paar spots en een technieker nodig had, en als het ook nog kon een budget. De artistieke leidster luisterde aandachtig naar mijn vraag en zei toen: “Oké, wij gaan met u in zee!”

Zo gezegd, zo gedaan. Na een aantal maanden repeteren brak de grote dag aan: de dag van de première. Ik speelde vol overgavel! En op het einde kreeg ik een applaus! Een daverend applaus! Ik boog voorover en bedankte het publiek. Na de voorstelling werd ik op de schouders getikt. Ik draaide me om en zag een bekende, een dramaturg uit de sector. Hij keek me recht in de ogen en zei: “Jouw voorstelling was mooi, maar ik miste een scène”. Ik keek hem niet-begrijpend aan en vroeg hem wat hij daarmee bedoelde. Zijn antwoord luidde als volgt: “Ik miste jouw verdriet als zwarte vrouw”. Ik glimlachte geforceerd, deed mijn jas aan en vertrok.

Wat hij me die avond zei, had een grote impact op mij. De waarschijnlijk goed bedoelde maar op z’n zachtst gezegd nogal misplaatste opmerking bleef nog lang nazinderen. Ik probeerde toch te achterhalen wat de dramaturg exact bedoelde met zijn opmerking, in de hoop dat ik het misschien verkeerd geïnterpreteerd had. Misschien formuleerde hij zijn mening verkeerd? Misschien was er te veel geroezemoes op de achtergrond waardoor ik hem niet goed had verstaan? Helaas. Mijn angstige vermoeden werd enkel bevestigd nadat ik ook van andere toeschouwers soortgelijke reacties kreeg.

Ik begon stilaan te begrijpen dat de kijk op mijn huid altijd zou primeren boven de inhoud. Zwartevrouwenverdriet?”Wat is dat dan? Eten vrouwen met een witte huidskleur na een liefdesbreuk misschien een ander soort chocolade dan vrouwen met een zwarte huidskleur? Doen ze aan een ander soort sport om de breuk te verwerken? Ik kon mij niks voorstellen bij die term, dus uit wanhoop consulteerde ik onze trouwe vriend google: “Zwartevrouwenverdriet”. Zoekresultaten zero!

Ik dacht dat ik een voorstelling had gemaakt over een vrouw met liefdesverdriet. Een universeel herkenbare emotie die los stond van mijn zwarte identiteit. Maar blijkbaar had ik iets over het hoofd gezien. Blijkbaar bestond er zoiets als blank-verdriet en zwart-verdriet, twee inhoudelijk verschillende zaken?! En blijkbaar was het broodnodig om dat verschil in mijn voorstelling te accentueren. Alsof het verdriet van een persoon met een zwarte huidskleur grotesker, sensationeler, dramatischer moest zijn om geloofwaardig over te komen. Ik begon te twijfelen aan mijn keuze voor theater.

“To choose well, you must know who you are and what you stand for…”

De confrontatie met denkbeelden over onze kleurwerd pas echt tastbaar op het podium. Wijzelf leven met een naïef verlangen om er geen betekenis aan te geven in de hoop dat anderen in onze omgeving dat vervolgens ook niet zouden doen.  Een impuls die we sinds onze kindertijd toepassen. Schattig, maar het werkt niet!

De verzameling aan ideeën en verankerde beelden die schijnbaar op onze huid getatoeëerd staan, dwingen ons in een keurslijf waar we niet in passen. Het beïnvloedt in welke richting gesprekken gaan en de verwachtingen van ons als speler en maker. Deze gepercipieerde identiteit blijkt allesomvattend te zijn. En de vraag wordt nooit echt aan ons gesteld. Wie ben jij? Hoe zie jij jezelf? Wat wil jij vertellen? Onze antwoorden op deze vragen zijn gelaagd en niet eenduidig en veranderlijk in de loop der tijd.

Intussen hebben we een zesde zintuig aangemaakt waarmee we veel kunnen filteren en relativeren in onze dagelijkse omgang. Alleen wordt het gevoelig wanneer we merken dat er achter de aannames die er bestaan over onze huidskleur een grotere structuur zit waartegen we als individu niet op kunnen boksen (kranten, media, film/televisie, reclame, theater). Het wordt uitermate frustrerend wanneer deze structuren bepalend zijn voor onze professionele loopbaan.

Je afkomst bevragen of je eigen positie als kunstenaar inzetten om een politieke of maatschappelijke boodschap uit te dragen, is een legitieme artistieke strategie.

Waar het voor ons wringt, is de onbeschreven maar bijna dwingende verwachting om die afkomst telkens aan te boren als motor om iets te maken. De verwachting om ons uiterlijk telkens een functie te geven. Een verwachting om als speler of maker een engagement aan te gaan tegenover bepaalde politieke thematieken. En de verwachting om de toeschouwer aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid hierin. De verwachting telkens een duidelijk statement te brengen ter verdediging van de groep waar we schijnbaar voor staan. Dat is een keuze die wij niet hebben gemaakt.

Wij ontkennen niet dat als mensen ons zien, ze een Afrikaanse vrouw zien. Maar wij willen in ons vak de vrijheid krijgen om elk thema of personage waar we voeling mee hebben te kunnen vertolken. Het is onontkomelijk dat die voeling gestuurd wordt door wie we zijn, onze geaardheid en onze geschiedenis. Maar de factoren die ons sturen zijn veel breder en uiteenlopend. Theater is voor ons de plek waar we onze voeten vegen aan impliciete verwachtingen. De plek waar we algemene opvattingen kunnen overstijgen en waar we alles wat ons tot mens maakt bevragen. Dat deze vrijheid beperkt wordt ten gevolge van een huidskleur beperkt ons in de mogelijkheid om ons uit te leven in ons vak. En om die redenen moeten we het er vandaag dus toch nóg eens over hebben!

Met de nadruk op nóg eens, want we zijn zeker niet origineel met ons discours. Deze state ligt in de lijn van een trend die al enige historiek heeft. Maar we kunnen wel vanuit onze positie inzicht geven en hopen dat de kracht van de herhaling geen mythe is. En dan weer aan de slag!

Weerspiegeling van de veelheid die de wereld te bieden heeft in de podiumkunsten = transitieproces

Diversiteit staat als werkpunt al lang op de agenda. Maar we kunnen niet anders dan opmerken dat het ook nog vaak het vertrekpunt is voor stroeve discussies, met een algemene vermoeidheid en ongemakkelijkheid tot gevolg. Begrijp ons niet verkeerd, de discussie is niet slecht. Het is het teken dat er geen onverschilligheid heerst.

Wat ons vandaag verontrust, is de wij-zij-toon die meer en meer de overhand neemt. Onze grootste zorg is dat wat er in de politiek gebeurt, overslaat naar de kunsten. Dat wij het strijdtoneel worden met aan weerszijden defensieve voorvechters. Ieder kamp hoort enkel zijn eigen getier. Bijgevolg plooit iedereen terug op zichzelf en bevecht zijn eigen strijdjes.

Als kunstenaars met een kleur hebben we het gevoel dat er veel discussies over onze hoofden heen gebeuren. Aan de ene kant worden raciale thematieken druk behandeld binnen de podiumkunsten. Als je niet mee op de barricade gaat staan om kleurgerelateerde problematieken te bespreken, word je daarop aangesproken. Aan de andere kant zijn er tal van maatschappelijke discussies die ook in de kunsten een rol spelen. Denk maar aan het migratiedebat, vluchtelingendebat, participatiedabat, dekolonisatiedebat, en daarbij de inhaalbeweging rond diversiteit op het veld.

Beide strekkingen zijn legitiem en hebben uiteraard goede bedoelingen, maar voor ons als kunstenaar met een kleur voelt het alsof we in onze tussenpositie een kant moeten kiezen. Terwijl we volop bezig zijn met onze eigen strijd, namelijk het overleven als maker, als speler en het zoeken naar onze eigen podiumtaal.

We voelen ons niet altijd geroepen om in 1 hokje geduwd te worden om als kracht uit te dragen binnen maatschappelijke discussies. Maar we stellen ons wel vaak de vraag: waarom is de diversiteit waarin we leven, zeker in stedelijke contexten, nog zo weinig voelbaar in het theater, op de scène en in de artistieke teams?

Oorzaak: migratieperspectief + andere referentiekaders => theater is geen evidente beroepskeuze

België heeft een jong migratieverhaal. De eerste, tweede en zelfs derde generaties hebben tijd nodig om te aarden, en schipperen vaak tussen tegenovergestelde opvattingen en waarden over het leven. De identiteitsvorming van deze generaties wordt voor een groot stuk beïnvloed door de zoektocht naar een evenwicht daarin. Kofi Annan zegt het deels in zijn quote: “Om te weten waar je naartoe wilt streven, moet je weten wie je bent en dus ook weten van welke grotere culturele/historische geschiedenis je deel uitmaakt.” Soms heeft migratie als gevolg dat je de geschiedenis niet meer kent die van belang is om te begrijpen wat je oorsprong is en welke plaats je inneemt binnen een generatie. Het referentiekader van de generaties vóór jou krijg je slechts versnipperd mee. Wie weet, moet je daardoor in een latere fase van je leven een inhaalbeweging maken om deze existentiële vragen te beantwoorden.

Het referentiekader voor deze generatie is dan ook vaak hybride en niet duidelijk afgelijnd. Het gaat om een vermenging van verschillende invloeden waardoor het voor ieder van deze individuen zeer verschillend en versnipperd kan zijn, en dus ook niet als één algemeen geldend referentiekader kan functioneren. Overigens kunnen we vaststellen dat het westers denkkader eveneens bestaat uit een mengelmoes van verschillende Europese invloeden en dus ook niet als vast omlijnd kader functioneert.

In deze versnipperdheid een weg vinden naar het westers theater, zowel óp als áchter het podium, is geen evidentie. Je moet al zeer eigenzinnig zijn om tegen alle algemene opvattingen (soms cultuurgebonden, soms religiegebonden) van je directe omgeving in tóch voor een job in de podiumsector te kiezen.  En zelfs als de ambitie er is, circuleren de nodige informatie en kennis over bijvoorbeeld de verschillende opleidingen of alternatieve werkingen vaak in andere leefwerelden en heb je er niet altijd toegang toe.

De diversiteit stond dus lange tijd allesbehalve aan de deuren van de theaters te kloppen, terwijl ze zich wel nestelde in andere lagen van de maatschappij. Slechts enkelingen vonden de voorbije twee decennia hun weg naar de theaters. We spreken dus zeker niet over grote golven. En dat heeft meer oorzaken dan enkel de zoektocht van de diaspora zelf.

Oorzaak: beoordeling kwaliteit

Wat we immers ook gezamenlijk moeten bevragen, zijn de codes en normen die heersen binnen het theater. Wat is theater? Wat is goed theater? Wat is spelen?

Wat is goed spel? En volgens welke criteria wordt kwaliteit beoordeeld? Maken we theater voor elkaar of voor de gewone toeschouwer? En wie is die toeschouwer?

Artistieke kwaliteit wordt vaak als voorwaarde gesteld als je een volwaardige plek wil krijgen in de podiumkunsten. De bestaande kwaliteitscriteria staan gebeiteld en zijn gestoeld op een gezamenlijk gedeelde geschiedenis. Dit kader heeft zijn waarde maar kan, zonder dat men er zich bewust van is, potentieel talent uit de boot doen vallen.

De verbreding van de sector houdt in dat bestaande kwaliteitscriteria bevraagd en aangevuld worden zodat we samen in staat zijn om door een verrijkte bril naar een generatie oorspronkelijk niet-westerse makers en spelers te kijken.

Hun geschiedenissen zijn zoals eerder gezegd verschillend en versnipperd, maar ze vormen wel een belangrijke bron waaruit geput wordt om theater te maken.
Wijzelf leven hier waar neergeschreven literatuur als bron voor theater primeert. En het is niet onze intentie om dit veranderd te zien. De wortels van ons culturele DNA liggen daarentegen daar waar de orale kunst primeert. Daar waar wijsheden in zang en gesproken taal de wereld worden ingestuurd. De bril moet bijgesteld worden zodat beide manieren van communiceren naast elkaar kunnen bestaan of vermengd kunnen worden, zonder dat de ene hoger ingeschat wordt dan de andere.

De tweede, derde en vierde generatie die als zijstroom de weg vinden naar de grote rivier van de podiumkunsten, hebben tijd nodig om de eigen kwaliteit te ontwikkelen en om te zoeken naar een verhouding tegenover het hedendaagse theater en het klassieke repertoiretheater. Vragen om bij te benen of om theater in een specifieke vorm te maken om een traditie in stand te houden, is grofweg een arrogante houding.

Je dreigt talent te verliezen als je nieuwe kunstenaars beoordeelt vanuit één enkel nauw perspectief. Mensen met beslissingsmacht in uw ploeg hebben die met een andere mindset kunnen kijken, is van essentieel belang om andere kunststromingen of vormen van kwaliteit toe te laten.

Oorzaak: Herkenbaarheid voor publiek

Maar ook dan zijn we er nog niet. We draaien nu even onze blik van het podium naar het publiek. Hoe komt het dat bepaalde publieken hun weg niet vinden naar de theaters? Twee jaar geleden ging ik naar een grote zaalvoorstelling kijken in Nederland. De ticketprijs was 25 euro. Ook nu drong er zich een vraag aan me op toen ik de samenstelling analyseerde van het publiek. Hoe komt het dat de diversiteit van onze steden hier wel aanwezig was en dat dit publiek, tegen alle vooroordelen in, bereid was de hoge ticketprijs te betalen om van de podiumkunst te genieten?

De toeschouwers hadden op voorhand een vermoeden dat ze aansluiting zouden vinden bij wat ze te zien zouden krijgen.  Dat is een key-element in het aantrekken van een breed/divers publiek. Kan de toeschouwer zich herkennen in dat wat hij of zij te zien krijgt? Kan hij zich verantwoordelijk of bewogen voelen? Het gevoel een deel van jouw verhaal weerspiegeld te zien, of je eigen menselijkheid erkend zien, is van essentieel belang om een gezonder evenwicht te brengen zowel op het podium als in de zalen.

Wij gaan al jaren naar theater kijken in verschillende steden van Vlaanderen. Voor veel geld en soms voor weinig geld. En we vrezen dat de herkenbaarheid voor nieuwe, stedelijke publieken vaak ver zoek is. Niet uit kwade wil. Het is gewoon weinig aanwezig op de grote podia. Jonge stedelingen die herkenbaarheid zoeken, richten zich sneller tot de stedelijke kunststromingen die vaak ook laagdrempelige instapmogelijkheden voorzien voor jonge artiesten. Daarbij gaat het niet over wit of zwart op het podium, maar over wat er verteld wordt.

Wat repertoiretheater betreft, moeten we ons eveneens niet blindstaren op kleur. Het is net boeiend om repertoire herkenbaar te maken voor bredere publieken en het te linken aan het hedendaags gebeuren. Met een bestaand werk vandaag de dag de essentie gaan herontdekken, met nieuwe mensen, in een andere omgeving. Het is die vrijheid die leidt naar vernieuwend theater voor iedereen.

Belangrijke rol van de programmatoren

Programmatoren spelen een centrale rol in heel het diversiteitsdebat. Zij bepalen wie speelt en wie niet en hebben de macht om evenwicht te brengen op het podium.

Als je het hele programma van één theaterseizoen verzamelt, zie je doorgaans weinig diversiteit. Hoe kan je de ruimte die er is verdelen en zorgen dat een nieuwe stroming makers en spelers die diversiteit uitdragen duurzaam geïmplementeerd worden? Hiermee bedoelen we voor alle duidelijkheid niet binnen een gekaderd deel van een programma om diversiteit te promoten. Het reguliere programma als kader is al voldoende. Er hoeft geen subkader gedefinieerd te worden om diversiteit te verantwoorden. Programmeer de kunstenaar als kunstenaar. Spreek artiesten aan omdat ze kunstenaar, theatermaker, speler zijn en iets te vertellen hebben en durf daarbij ook te programmeren voor een publiek dat voor jou onbekend is.

Toegankelijkheid

Het proces van idee tot uitwerking van een concept, van subsidies aanvragen naar uitwerking van een zakelijk plan, tot collega’s zoeken, mogelijke partners aanspreken, feedbacksessies organiseren en de vele koffie-afspraken tussendoor alleen al sluit, eveneens onbewust, heel wat potentieel talent uit. Als je het wil maken in de kunsten heb je enig ondernemerschapnodig, een netwerk, inzicht en kennis van zaken in de sector.

Het klopt dat de theaterwereld in Vlaanderen klein is. Dat kleine netwerk is dan ook heel aanspreekbaar. Maar tegelijkertijd maakt het feit dat de meeste mensen elkaar heel goed kennen dat er een ons-kent-ons-cultuur heerst en er sprake is van sterke vriendschapsrelaties die zich binnen hetzelfde netwerk bewegen. Deze sterke ons-kent-ons-cultuur is niet zonder consequenties. Ze komt met een set ongeschreven regels die een grote rol spelen met betrekking tot de toegankelijkheid van het veld, zeker voor mensen die nog niet met hun 2 voeten binnen dit netwerk staan en mee in de stroom kunnen opgaan.

Het benoemen van deze onschuldige maar niet te onderschatten drempel in het theatergebeuren is belangrijk. Want voor vers talent kan dit behoorlijk intimiderend overkomen, met als gevolg dat je verloren kan lopen. Voor jonge spelers in het veld is de uitbreiding van het aantal kunstwerkplaatsen, waar we allemaal samen kunnen komen, van enorme waarde. We hebben nood aan contexten waar kennismaking, samenwerking, uitwisseling en/of ondersteuning mogelijk is.

Toekomst

Oplossingen voor diversiteit worden vaak gezocht in tijdelijke, losse initiatieven. Ze lijken meer op goede voornemens. En zoals het vaak gebeurt met goede voornemens: als de tijd en de middelen gering zijn en de werkdruk hoogt ligt, vegen we al snel onze voeten aan deze voornemens. Het is menselijk en we doen het allemaal. Diversiteit mag echter niet stoelen op goede bedoelingen en korte termijninspanningen. Op structureel vlak wordt er bovendien nog te vaak nagedacht voor de diversiteit, zonder die diversiteit mee aan tafel te hebben. Er wordt ingezet op diversiteit als zijtraject, naast het normale reilen en zeilen van een huis, als afgebakend deel van alle andere processen. Of er wordt een functie toegekend aan één persoon die de diversiteit moet representeren. Ervaring wijst uit dat deze strategieën inefficiënt zijn. Als we op lange termijn een vruchtbaar verschil willen zien, is een verankerde aanpak binnenshuis nodig met toekomstige strategische beslissingen en duidelijke actieplannen.

Het excuus dat het beoogde talent er niet is, kunnen we intussen achter ons laten. Het is er wel degelijk. Alleen zijn de drempels soms te hoog om eroverheen te raken. Het vraagt wat prospectiewerk om talent te spotten. Actief op zoek gaan buiten de traditionele netwerken. En als we deze nieuwe talenten duurzaam binnen het bestaande systeem willen integreren, moeten vastgeroeste vanzelfsprekendheden en werkmethodes in vraag gesteld worden. Dat vraagt een enorme hands-on inzet.

Daarenboven krijgen we vandaag meer en meer te maken met een nieuwe stroming artiesten die weigert zich gewoon te assimileren. Assimilatie betekent dat je een deel van jezelf en je ambities ontkent. Deze jonge talenten weigeren om enkel functioneel ingezet te worden of als pion te dienen om quota te halen. Die golf wil zich professionaliseren, maar staat erop om tegelijkertijd naar de eigenheid te zoeken zoals iedere jonge generatie makers en spelers.

Oproep naar …

We komen toe aan het laatste deel van de quote van Annan: “You must know where you want to go and why you want to get there.” Weten wie je bent en waar je naartoe wilt, is in de praktijk geen evidentie. Maar keuzes moeten er wel gemaakt worden.

In een periode waarin de budgetten voor kunst meer en meer slinken, komen wij als nieuwe zijstroom (als in: niet via een opleiding) aan de deur kloppen om mee te spelen. Het voelt soms alsof we een indringer zijn die het brood van een ander komt roven. En door het er hier weer over te hebben, lijkt het misschien alsof we een strijd aangaan in de hoop ons van ons eigen brood te verzekeren.

Om te professionaliseren, en dit geldt voor heel het theaterlandschap, is er financiële zekerheid nodig. Een egalitaire verdeling van de middelen en ruimte is bevorderend voor de verbreding van de sector en versterkt ook de wankele positie van elke freelancepodiumkunstenaar, ongeacht of die persoon zich via een volwaardige opleiding of via een alternatieve stroming een weg heeft gebaand naar het professionele circuit.

Wij hebben van in het begin de ‘doe het zelf’-houding gehanteerd. De rest volgt wel. Maar de realiteit is dat het ons alleen niet lukt. Wij vragen aan jullie om jullie posities te gebruiken om de transitie mee waar te maken. Het gaat om een gezamenlijke verantwoordelijkheid die de hele gesubsidieerde theatersector draagt. Wij willen het er niet altijd over hebben, maar voelen ons verantwoordelijk om van de theaters langs binnen en langs buiten een plek voor iedereen te maken. Die tweestrijd zit in ons. Het er niet over hebben in deze SOTY zou een vals statement van onverschilligheid uitdragen.

Theater maak je samen. Samen moeten we aan de toekomst bouwen. Maar de samenstelling van “samen”, die moet veranderen. De groep mensen waarmee je een traject aflegt.  In deze groep moet elke kunstenaar de ruimte krijgen voor zijn eigen ideeën, verlangens, tegenstrijdigheden en versnipperde referentiekaders.

De kracht voor vernieuwing zit in het ontmoeten van elkaar, naar elkaar gaan kijken, potentie erkennen en ondersteunen. Die ervaring en wisselwerking is van ontzettend groot belang voor de toekomst waarnaar we willen streven. Zo kunnen we het verschil maken en misschien als voorbeeldfunctie dienen voor de politiek, de media, televisie-, reclame- en filmwereld.

Ook ons artistiek parcours is zo begonnen. Samen aan de eettafel zitten, als collega’s, als vrienden, en dromen over wat we willen vertellen aan een publiek dat bereid is te luisteren. In de hoop hen te beroeren met de eigenheid die wij te bieden hebben. Vervolgens, en dit zal velen onder jullie misschien verbazen, vervolgens hebben we elkaar losgelaten. Elk hebben we een andere bocht genomen, nieuwe mensen tegen het lijf gelopen waarmee we samen aan iets konden bouwen. En die verrijking blijven we telkens opzoeken.

Als je iets moet onthouden van deze State of the Youth is het vooral een pleidooi voor verbinding, vrijheid om als kunstenaar eigenheid te vinden, en een eerlijke verdeling van middelen en ruimte op alle niveaus.

The Youth is coming for you, een nieuwe stroming, met nieuwe invloeden.

Het is een grote golf.

The Youth is coming om zichzelf bevestigd te zien.

The Youth is coming.

Are we ready for them?

Met dank aan gesprekspartners: Ciska Hoet, Gorges Ocloo, Sébastien Hendrickx, Julia Ghysels, Rashif El Kaoui, Mokhallad Rasem, Chokri Ben Chikha, Prince K. Appiah, Cynthia Schenkels en Kathleen Treier.

Aminata Demba (links) en Aicha Cissé (rechts) (c) Tina Herbots

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

For security, use of Google's reCAPTCHA service is required which is subject to the Google Privacy Policy and Terms of Use.

I agree to these terms.

Tags: , ,