het Theater Festival

SAVE THE DATE 05 SEP - 15 SEP 2019 GENT

Leve het toneelspelen! (State of the Union 2018, van en door Sara De Roo)

Vr 31 Aug 2018

STATE OF THE UNION 2018

van en door Sara De Roo

 

Sara De Roo (c) Tina Herbots

 

(mijn broer heeft me aangeraden te beginnen met een grap)

 

een staat van het theater.

hoe gaat het met het theater?

met het theater gaat het goed.

er worden prachtige voorstellingen gemaakt door jong en oud, wit en kleur, man en

vrouw en alles daar tussenin.

maar onder welke voorwaarden?

gaat het ook goed met de mensen die dat toneel maken en spelen?

 

ik ben een toneelspeler.

ik ben 25 jaar deel geweest van een collectief.

sinds dit jaar ben ik bewust freelance toneelspeler.

 

ik ben een vrouw.

in wat volgt, zal ik spreken over ‘de toneelspeler, zij speelt’.

om te vermijden dat ik voortdurend ‘hij/zij’ moet gebruiken, en omdat ik het nieuwe

non-binaire (gender-neutrale) voornaamwoord ‘hen’ nog niet in m’n syteem heb, kies ik

voor het vrouwelijke persoonlijk voornaamwoord. omdat ik zelf een vrouw ben en omdat

ik alles wat ik straks zeg, ook tegen mezelf zeg.

voor het zelfstandig naamwoord‘toneelspeler’ kies ik de mannelijke vorm omdat ik dat

mooier vind dan ‘toneelspeelster’ en omdat ‘toneelspeler/ster’ teveel lijkt op

toneelspeel-ster… het wordt dus: ‘de toneelspeler, zij speelt toneel.’

ook het bezittelijk voornaamwoordgebruik ik in de vrouwelijke vorm ‘de toneelspeler,

zij ligt in haar luie nest’. het is even wennen maar ik heb het dan wel degelijk over

mannen en vrouwen en alles daartussenin.

 

ik ben een toneelspeler uit de tijd dat er maar 1,5 toneelspeler afstudeerde per jaar aan de

toneelschool van dora van der groen.

het was een tijd waarin er nog ensembles waren waaruit die 1,5 toneelspeler leek te

kunnen kiezen waar ze wilde werken. het was misschien niet altijd het geambieerde

toneel maar de vraag en het aanbod waren enigszins op mekaar afgestemd.

vandaag is de situatie anders.

in plaats van de 1,5 toneelspeler van 30 jaar geleden, studeren nu soms aan één school

wel 15 toneelkunstenaars af, spelers of makers. dat is 10 keer meer. wegens de simpele,

bekende rekensom: hoe meer studenten, hoe meer geld voor de opleiding. optellen en

afrekenen? vlaanderen is 4 toneelscholen rijk, reken maar uit. wat een massa

toneelspelers!

op zich is dat een geweldige evolutie. hoe meer kunstenaars hoe beter. de maatschappij

kan er alleen maar rijker van worden. maar er scheelt iets in de doorstroming van al deze

jonge tonelisten. de structuren schieten tekort.

 

nu ben ik sinds 3 jaar behalve toneelspeler ook artistiek co-coördinator van de

toneelschool waar ik zelf vandaan kom, samen met clara van den broek.

de opleiding heet officieel afstudeerrichting acteren, opleiding dramaen opereert sinds

2008 onder een hogeschool. acteren focust op spelen, op ensemble en op tekst. ik ben dus

mee verantwoordelijk voor die uitstroom.

 

drie jaar geleden is de bijl gezet in de projectsubsidies. wat ooit bedoeld was als een

stimulans voor vernieuwend, risicovol werk, is nu een kansspel geworden waarop de

toneelkunstenaar nog maar weinig hoop te vestigen heeft. jong-afgestudeerden zijn bij

gevolg veroordeeld tot eindeloos koffie drinken met zaal-uitbaters en

festivalorganisatoren (mannen en vrouwen dus) om wat co-productiegeld bijeen te

sprokkelen, in de hoop hun werk de wereld in te krijgen.

 

in gent heeft het afgelopen seizoen het vaste ensemble van het stadstheater plaats

gemaakt voor een urgent, spraakmakend project, maar niet één dat van plan is de

toneelspeler in ere te herstellen. regel 7 van het manifest van ntgent luidt: “minstens twee

van de acteurs op het podium mogen geen professionele acteurs zijn. dieren tellen niet

mee, maar zijn welkom.”

 

daarmee is het laatste ensemble van vlaanderen afgelopen seizoen ter ziele gegaan. (wie

had gedacht dat ik het nog eens voor ensembles zou opnemen.) het laatste vlaamse

stadstheater dat haar toneel-arbeiders, de toneelspelers, met het respect behandelde dat ze

verdienen, nl door hen een duurzaam contract te geven en een duurzaam artistiek gesprek

met hen aan te gaan, is verdwenen. je kan het betreuren dat het engagement van de

artistiek leider van dat huis zich niet uitstrekt tot zijn werkvolk.

 

zo zijn zowel korte als langere termijn-mogelijkheden voor de toneelspeler

verschrompeld. je kan je afvragen waarvoor je ze nog opleidt.

maar weinig jong afgestudeerden maken kans op een uitgebreide tournee; ook

uitmuntende alumni niet die in grote voorstellingen van grote huizen meespelen. doordat

er geen duurzame werkverbanden meer zijn, doordat iedereen freelancet, blijkt het niet

alleen hoe langer hoe moeilijker om een deftige repetitieperiode af te bakenen; de

tournees zijn navenant verbrokkeld over het seizoen, een keer spelen hier, een keer spelen

daar.

zo leer je niet toneelspelen. leren doe je door te doen. het ambacht gaat verloren.

 

de toneelspeler leert spelen door het te doen. op school maakt ze kennis met methodes,

ze wordt geholpen in de ontwikkeling van haar artistieke persoonlijkheid, ze krijgt

techniek en theorie, ze leert samenspelen en samenwerken, ze leert functioneren in een

groep en als ze wil, leert ze zelfs werken met een regisseur.

maar het is pas na het afstuderen dat de toneelspeler toneelspeler wordt.

dat wil zeggen, door lange tournees af te werken, in gezelschap. samen de hort op, de

auto of de bus in, de trein of godbetert ook het vliegtuig. om avond na avond haar verhaal

te vertellen, te leren wat de toneelspeler zelf nog niet wist, te tonen hoe

om te gaan met verworvenheden en tekortkomingen, hoe om te gaan met bijval en

afkeurig, met gulheid en zuinigheid, met intimiteiten – gewenst of ongewenst.

 

ze confronteert zichzelf en haar collega’s met elke keer een ander publiek, andere

reacties. ze neemt risico’s, gaat op haar bek en gaat de volgende avond weer op om het

anders aan te pakken.

de toneelspeler leert ook spelen als zij geen zin heeft, of ziek is, want dat hoort er nu

eenmaal bij. toneelspelen is leven en van leven heb je nooit vrijaf. ze speelt even goed

met weinig of met veel mensen in de zaal, verwelkomd door de programmator of niet.

de toneelspeler heeft soms zelfs het privilege om een voorstelling het seizoen erna

opnieuw te mogen spelen. door het verstrijken van de tijd ontdekt ze onvermoede

betekenissen in de tekst. ook als ze de voorstelling in een andere taal mag spelen en daar

hard voor studeert, ontdekt ze weer een nieuwe wereld die vervat ligt in het

oorspronkelijk gemaakte.

helaas weten weinigen wat de toneelspeler in die andere taalgebieden uitsteekt, in binnenof

buitenland, waar de weerklank soms groter is dat in eigen land. maar reken maar dat de

toneelspeler zich ontwikkelt en met volle teugen het toneelspelersleven in zich opneemt,

zich het ambacht verwerft.

een uitgebreide tournee geeft ook de voorstelling de mogelijkheid om te groeien. een

voorstelling op tournee wordt letterlijk en figuurlijk gedragen door de technici. zij

werken voortdurend mee aan de vormelijke en inhoudelijke ontwikkeling ervan. zij

bepalen mee het werk-ethos. telkens weer het decor opbouwend en afbrekend, ermee

door het land rijdend, nemen zij praktische én artistieke beslissingen.

een voorstelling moet de kans krijgen om een voorstelling te worden, moet kunnen rijpen.

ik kom natuurlijk uit een traditie waar weinig of niet gerepeteerd wordt, maar je mag

repeteren wat je wil, het is pas als er mensen in de zaal zitten dat je ontdekt wat je

gemaakt hebt.

 

ALS NU

het landschap zo vol is dat voorstellingen amper nog gespeeld raken – soms zelfs maar 2

of 3 keer – hoe staat het dan met de ontwikkeling van het toneel? een toneelspeler die niet

speelt, raakt toneelspeler-af. voorstellingen die amper gespeeld worden, krijgen het

karakter van een happening.

de vernieuwing bloeit. er zijn jonge makers. een maker is iets anders dan een speler. de

maker is geschoold in het maken, de speler in het spelen. vaak zijn de grenzen flou. zo

speelt de maker vaak haar eigen voorstelling, de toneelspeler maakt soms haar eigen stuk.

ik heb dat altijd een rare opdeling gevonden; de toneelspeler is haar eigen maker, is

souverein, zoals ht al zei. bij stan ben ik 25 jaar speler én maker geweest. op de

acteer-school hebben we nu niettemin meer aandacht voor maken , het ontvoogdt de

speler en vergroot jawel, haar werkkansen. misschien is het grootste verschil dat de speler

zich in de eerste plaats bedient van tekst.

de jonge maker blaast zuurstof in ons toneel. de jonge maker stelt bestaande vormen in

vraag. maar de jonge maker opereert vaak alleen en neemt alles op haar jonge schouders.

als ideale exponent van de neo-liberale maatschappij, doolt zij als goedkope werkkracht

alleen rond in het barre landschap van de podiumkunsten en verheugt zich zoals velen

onder ons al op een tourneetje van amper 10 voorstellingen. productiehuizen en

werkplaatsen leveren uitstekend werk, echter met de middelen die ze hebben.

 

het is opmerkelijk dat desondanks steeds meer jonge mensen zich willen inschrijven in

dat segment van de maatschappij dat niet wilt meedraaien in het bestaande systeem, dat

steeds meer jonge mensen school willen lopen waar je leert mens te zijn, leert kritisch

denken, je verbeelding gebruiken. elke afgestudeerde is goud waard voor de kunsten

en/of voor de samenleving. elke afgestudeerde voegt zich bij de steeds groter wordende

groep die zich verzet tegen het idee dat de mens ten dienste staat van de economie, tegen

de meritocratie. elke afgestudeerde zal zich – toneelmakend, -spelend of geen van beide –

de vragen blijven stellen waarmee ze op school in aanraking is gekomen. de kunstschool

als één groot subversief bastion.

elke afgestudeerde zal bijdragen aan de kracht van die alsmaar groter wordende groep

die geen genoegen neemt met het status quo, de groep mensen die door experiment werkt

aan een nieuwe samenleving.

 

hoe gaan we om met onze machteloosheid, met onze medeplichtigheid aan het onrecht

en de gruwel in de wereld? hoe gaan we om met de stigmatisering van mensen die een

andere kleur hebben, mensen die religieus zijn? hoe gaan we om met het feit dat we op de

hoogte zijn van alles, maar ondertussen gewoon verder doen? hoe gaan we om met onze

donkerste kant die roept ‘ik ben toch beter dan de ander’ én met onze angst dat het

tegendeel wel eens waar zou kunnen zijn, met onze fundamentele eenzaamheid.

hoe gaan we om met ons gebrek aan verbeelding om ons een nieuwe, hybride wereld te

kunnen voorstellen, gebaseerd op vertrouwen en nieuwsgierigheid, één die

vanzelfsprekend veelkleurig en ecologisch duurzaam is.

als we dit europese avondland willen heruitvinden, zullen we onze verbeelding moeten

gebruiken. we zullen moeten veranderen zoals niemand het voor mogelijk had geacht. we

zullen zekerheden moeten loslaten en het zal even duren voor we houvast zullen vinden

in het nieuwe.

en misschien dringt die verandering zich sneller op dan gedacht. we zullen misschien in

ijltempo een radicaal antwoord moeten vinden op hoe we een nieuwe samenleving

vormgeven.

ruud koornstra, de nederlandse transitiecommissaris, maakt de vergelijking met een land

in oorlog. als de nood hoog genoeg is, kan de hele industrie van een land in 3 maanden

transformeren naar een wapenindustrie. dat moet dus ook kunnen met hernieuwbare

energie.

dat moet dus ook kunnen met opvang van vluchtelingen? met het stoppen van de

middellandse zee-genocide die we allemaal schijnbaar normaal zijn gaan vinden?

we zijn het schijnbaar normaal gaan vinden.

we leven in maatschappelijke structuren waar niemand blij mee is. niet alleen kunstenaars

met hun belabberde statuut en hun leraren op de toneelschool; ook dokters, rechters,

journalisten, zakenlui, zelfs politici klagen over de woekeradministratie, de uitwas aan

wetgeving die de realiteit niet meer dient, maar tegenwerkt. we zijn het schijnbaar

normaal gaan vinden dat we met quasi elke euro die we uitgeven voor ons comfort, het

leven op het grootste deel van de aarde onmogelijk maken. we zijn het blijkbaar normaal

gaan vinden dat er een onderscheid gemaakt wordt in de waarde van een mensenleven,

dat we een zomerse duik nemen in een massagraf. dat we onszelf beter vinden,

belangrijker, slimmer, ontwikkelder, verlichter, onafhankelijker, vrijer, humaner, mooier,

individualistischer, rijker, rechtvaardiger, feministischer. maar ook dat we beter toneel

maken dan de anderen, dat we beter weten wat toneelspelen is, dat we betere stukken

schrijven en betere decors bedenken, kortom dat ons theater beter is. we zijn het

schijnbaar normaal gaan vinden.

 

what you do not know is the only thing you know

and what you own is what you do not own

and where you are is where you are not

t.s. eliot ‘four quartets’ (met dank aan vdm)

 

de toneelschool is helaas niet anders dan andere werkomgevingen. ook op de

toneelschool blijkt het grootste obstakel om te diversifiëren dat er gewoon niet aan

gedacht wordt. het is al geen reflex om het man/vrouw-evenwicht onder het korps te

bewaken, laat staan het wit/kleur-evenwicht. (my god, zeg ik dat goed?) het gaat al beter,

men wijst elkaar erop, maar we zijn er nog lang niet.

zo zijn we nog in het eerste aftastende stadium om het vak westerse toneelgeschiedenis

om te vormen tot wereldtoneelgeschiedenis , of gewoon toneelgeschiedenis . het is niet

genoeg om je docentenkorps half te diversifiëren (als dat al lukt); onze structuren, onze

manier van denken moet veranderen. zolang wij de ander alleen maar meten met onze

eigen maatstaven, zullen wij naast elkaar blijven leven. we zullen moeten leren niet de

enige maatstaf te zijn. we zullen anders moeten leren kijken.

laat ons onze esthetische kaders oprekken , onze premisses lossen, onze leitmotiven en

onze motto’s. laat ons ons kwetsbaar opstellen, bereid om een nieuwe vorm aan te

nemen. als we echt geloven in wat we beweren, nl een betere wereld, kunnen we zelf een

mogelijkheid tonen.

 

het freelancebestaan biedt vrijheid. je kan zelf je tijd indelen, beslist zelf welke

engagementen je aangaat.

maar er gaat ook een versnippering mee gepaard, een versnippering van tijd en aandacht.

ononderbroken repetitieperiodes van 2 maand, zoals dat ooit gebruikelijk was, worden

schaars omdat het werkvolk geld kost, maar ook omdat het steeds moeilijker is om een

groep mensen bij mekaar te krijgen. regelmatig ontbreekt er iemand die elders nog iets

moet afwerken of spelen, steeds vaker in film of tv-fictie (2 kunstvormen die me na aan

het hart liggen en waarmee we onze studenten steeds meer vertrouwd maken, maar de

ermee gepaard gaande personencultus staat het gemeenschapsvormende enigszins in de

weg. het heet niet voor niets een industrie.)

al gauw deinen de gecombineerde taken zo uit dat de arme toneelspeler zich de longen uit

het lijf rent om alle bazen tevreden te houden – en in het beste geval ook haar eigen

droom.

haar ogenschijnlijk minder fortuinlijke collega die werkloos thuis zit omdat ze de skills

mist om dat alles in haar eentje voor mekaar te krijgen – ondanks de lessen

ondernemerschap die ze op school kreeg – maar die ondertussen wel op haar dromen

broedt; die collega dus, loopt alle leuke baantjes mis die de ander met te weinig stokjes

voor teveel bordjes probeert draaiende te houden.

 

een kloof tussen arm en rijk, zeg maar. de arbeid wordt gemeten en geteld, vervolgens zo

kort mogelijk ingedeeld en uitbesteed aan zo weinig mogelijk werkkrachten. het werk

boet in aan kwaliteit want het wordt haastig gedaan door een overwerkte acteur die zich

door rollen en rolletjes rept.

theaters en festivals doen ook goed hun best om geen tijd te verspillen. in één etmaal

moet de toneelspeler tegenwoordig soms 3 maal òp, en ik bedoel met een avondvullende

voorstelling.

 

kunst blijft tellen op het tempo van de groei der planten.

hermand teirlinck (de tweede blanke man die ik citeer, excuus)

 

de kunstenaar heeft TIJD nodig om tot een gedachte te komen, tijd voor verveling en

inefficiëntie, kunstenaarsdenktijd, toneeldenktijd

om uit dat nulpunt een onmogelijkheid mogelijk te laten worden.

om niet in al haar haast in herhaling te vallen en structuur-bevestigend werk te gaan

maken.

werk dat de blik richt op iets onvermoeds, naar een gevaar, naar een mogelijke toekomst

kost tijd.

een toneelspeler kàn geen misbruik maken van haar tijd. elke pint die ze drinkt, is werk,

elke mens die ze ziet of spreekt, kan de verbeelding openbreken en aanleiding zijn voor

een gedachte. voor een toneelspeler is alles werk want alles is spelen. leven is spelen.

leve het spelen. de toneelspeler is voortdurend aan het werk. haar ademen is haar werk,

haar kijken, haar spreken, haar zijn.

 

het kunstenaarsstatuut zit ondertussen zo vol vergrendelingen dat velen er wanhopig

van worden, ikzelf incluis. is het ondenkbaar om het uitgeholde kunstenaarsstatuut om te

vormen? naast de grote wereldvraagstukken lijkt het een fait-divers; op een maand zou

het toch moeten kunnen…

maar het vraagt een nieuwe aandacht, de aandacht voor traagheid tegenover snelheid,

voor verveling tegenover actie, pijn tegenover uiterlijk plezier. een nieuwe wereld vraagt

een nieuw soort aandacht.

 

toneelspelers, bundel de krachten. vanaf nu spelen we alleen nog maar in groep. het zal

gemeenschapsinspirerend zijn en er zijn meteen meer spelers op de planken. jawel, ik heb

het over het collectief!

het collectief van de jaren ‘90 is uit de mode. men vindt het een log overlegmodel

dat gespecialiseerd is in onmodieuze zaken als artistieke duurzaamheid, verdieping en

continuïteit. ik kan met kennis van zaken zeggen dat het collectief een ideale omgeving is

voor een toneelspeler om haar ambacht te ontwikkelen. om alle facetten van het maken

en spelen onder de knie te krijgen. in het collectief ontdek je wie je bent, als kunstenaar

en ook als mens.

het collectief van de jaren ‘90 krijgt andere vormen. het is uitgedijd in aantal

leden, interdisciplinairder geworden en losvaster van engagement. het bestaat niet meer

alleen uit toneelspelers; allerhande kunstenaars kunnen losvast betrokken zijn en gaan al

dan niet mee op. het is diverser geworden. het heeft zich aangepast aan deze tijd. het is

waarschijnlijk ook beter bestand tegen deze tijd. of misschien is het andersom, misschien

laat deze tijd alleen zo’n losvaste samenwerkingen toe vermits er weinig vergoeding

tegenover staat. een collectief kost geld. mensen kosten geld, veel mensen kosten veel

geld. ik kijk dan ook met hoop en bewondering naar de koekelbergse alliantie van

knutselaars (met een 16-koppige kern!) en in nederland naar de theatertroep (10-koppig),

twee grote, jonge toneelgroepen die ondanks de versnipperde bezigheden van de leden,

nu toch al enkele jaren het hoofd boven water houden met spannend toneel. zij tonen ons

niet alleen hoe je samen kan spelen en maken, maar ook hoe je samen kan werken, kan

leven.

dus bundel de krachten, toneelspelers aller landen, verenigt u, in ensembles en

collectieven. engageer u voor mekaar, voor een gemeenschappelijk werk, ga samen de

hort op of betrek een pand, en werk duurzaam, streef naar continuïteit. van alle

kunstenaars hoeven wij NIET ALLEEN door de modder te ploeteren. het is juist de

schoonheid van onze ambacht en onze kunst dat wij onze tijd SAMEN doorbrengen.

 

ik geloof

(over rituelen had ik het ook nog willen hebben, en over toneel zonder publiek, en over

dat er te weinig nieuwe stukken worden geschreven in vlaanderen, en dat er in nederland

wel nog ensembles bestaan en schrijvers die een toneel-oeuvre bij mekaar aan ’t pennen

zijn, en dat het vlaamse en het nederlandse theaterfestival weer moeten fuseren. en over

passie, de grondstof van de toneelspeler, dat we moeten oppassen niet in preutse tijden te

belanden, een ‘nee’ is een ‘nee’ maar docenten moeten met hun studenten op café kunnen

blijven gaan / maar het is genoeg nu, ik rond af)

ik geloof dus. ik geloof

dat toneelspelers de maatschappij hints kunnen geven. toneelspelers zijn uitvinders en

zoals gezegd, ze werken samen, daar zijn velen uit andere disciplines jaloers op. wij zijn

geen eenzame schilders in een atelier, geen schrijvers achter een bureau. ons werkterrein

is de groep. wij vertoeven samen in de repetitieruimte, wij staan samen op de scène. wij

vertegenwoordigen de onenigheid. wij leren voortdurend wat het is om om te gaan met

verschillende meningen, met verschillen. de toneelspeler zal haar souvereiniteit nooit

opgeven, zij zal bij haar standpunt blijven en haar droom verdedigen, maar zij zal op de

hoogte zijn van alle andere meningen&dromen van haar collega’s en die respecteren.

sterker nog, het meningsverschil is de voedingsbodem voor het werk, voor het maken en

het spelen van elke voorstelling.

daar komt nog bij dat goed samenspelen gebaseerd is op het evenmin modieuze

vertrouwen. ook als je tegenspeler je een loer draait, moet je er vanuit kunnen gaan dat

zij dat doet om de voorstelling spannender te maken. dat lukt natuurlijk niet altijd en het

stuift wel eens in kleedkamers ten lande. maar aan de basis van het werk ligt de zoektocht

naar dat vertrouwen, om te kunnen zijn wie je bent, tegenover de ander die ook is wie ze

is of speelt; van welke kleur, religie, gender of wat dan ook. het vertrouwen dat nodig is

om oude vormen los te laten en nieuwe te vinden.

laat ons samen werk maken dat een mogelijkheid, een mal, een prototype kan zijn voor

een andere samenleving, één die we nooit hadden durven dromen. werk dat ons op een

idee kan brengen. laat ons al samenwerkende, al knutselende, tonen dat we niet in zo’n

bange wereld leven als men denkt.

 

met dank aan johan, siska, raf, otta, wouter, sacha, guy, kathleen, tobias, hector, tine, luk,

selm en damiaan

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

For security, use of Google's reCAPTCHA service is required which is subject to the Google Privacy Policy and Terms of Use.

If you agree to these terms, please click here.

Tags: ,