het Theater Festival
do vr za zo ma di wo
08 09 10 11 12 13 14
15 16 17 18      

“Kunst moet terug in het centrum van onze maatschappij gaan staan”

vr 26 aug 2016

Jan Lauwers en Needcompany – De Blinde Dichter

Needcompany opent het Theater­Festival met De Blinde Dichter in de Rode Zaal. Wij vroegen Jan Lauwers naar de plaats van deze voorstelling in zijn oeuvre. “Er is in dit stuk veel verzonnen, maar meer dan de helft van het stuk zijn toch tranches de vie van de acteurs.” – Phéline Thierens en Mia Vaerman

Jan Lauwers (c) Maarten Vanden Abeele

(c) Maarten Vanden Abeele

Eerst puur informatief: kan je iets zeggen over de titel, De Blinde Dichter? Die verwijst naar een Syrische dichter uit de elfde eeuw die echt heeft bestaan?

Jan Lauwers: Ja, dat is de basis van de voorstelling. Eigenlijk zijn er veel blinde dichters, maar de Syrische dichter Abdel Al-Ma’arri was wel een heel bijzondere figuur. Op zijn eentje heeft hij de Verlichting in de Islam binnengebracht. Eén van zijn beroemdste uitspraken is: “Ze dwalen allemaal: moslims, joden, christenen en zoroastriërs. Er zijn twee soorten mensen: intelligente mensen zonder religie en religieuze mensen zonder intellect.” De Blinde Dichter is natuurlijk ook een metaforische titel: de poëet als visionair.

Eigenlijk ben ik De Blinde Dichter beginnen schrijven na een bezoek aan Córdoba. Ik zag er het religieus conflict weerspiegeld in de Mezquita, een moskee die in de twaalfde eeuw tot kathedraal werd omgedoopt. Zo kwam ik bij de poëzie van die tijd terecht en ontdekte hoe open en vrijzinnig die was. Christelijke vrouwen hadden toen bijvoorbeeld de pest aan moslima’s omdat die té vrij waren. Maar dat weten wij allemaal niet meer…

Door mijn nieuwsgierigheid naar het verleden besefte ik dat we te weinig weten van de Islam, zeker wanneer moslims tot staatsvijand worden gebombardeerd zoals nu het geval is. En bij uitbreiding kennen we soms ook ons eigen verleden te weinig. Dus heb ik aan mijn zeven acteurs gevraagd om hun stambomen op te zoeken en mij over hun leven te vertellen. Ook via interviews met hen heb ik tekstmateriaal verzameld, en op basis daarvan heb ik dan een stuk geschreven. Er is veel verzonnen, maar meer dan de helft van het stuk zijn toch tranches de vie van de acteurs.

De Blinde Dichter is zeer somber. De muziek, het licht, de verhalen, zelfs het decor… Grote, maar monsterlijke objecten zijn het: een dood paard, een kankercel. Is dat een U-turn in je oeuvre dat verder straalt van positiviteit? Of een tijdelijke dip?

Het is wat jij erin leest! Als dat ‘somberheid’ is voor jou, moet dat kunnen. Maar zelf vind ik het helemaal geen sombere voorstelling. Die zogenaamde kankercel is voor mij bijvoorbeeld een druppel die op de grond uiteenspat. In theater gaat het voor mij om poëzie, het gaat om wat het niét betekent: dat is het spannende. Kunst die zichzelf uitlegt vind ik niet interessant. Je moet ook voorzichtig zijn met hoe persoonlijk je in een voorstelling bent. De Blinde Dichter vertelt heel persoonlijke verhalen, maar voor mij staat de materie van het theater centraal. Namelijk: wat betekenen scène, voortoneel en publiek in dit stuk? En hoe kun je die drie lagen in de zaal overbruggen?

Vooral de plaats van kunst in deze maatschappij boeit mij enorm. Als kunstenaar moeten we kunst terug in het centrum van de maatschappij krijgen. Eigenlijk is men dat in de 21ste eeuw vergeten, door de conceptuele kunst, door heel veel ‘academisering’… Eén voor één isoleren deze zaken kunst van de maatschappij. Ik kom net uit China waar ik in mei een solotentoonstelling in Shanghai had. Daar ga je dan door de censuurcommissie en moet je praten over de publieke ruimte – in een dictatuur! Ik ben een enorme voorstander van kunstenaars die in China, Israël of Syrië gaan werken: je moet net wél in dialoog gaan met ‘het systeem’. Als je mensen die hun leven riskeren om kunst te maken in de steek laat, ben je fout bezig.

Elk van de zeven geportretteerde acteurs draagt een trauma mee, of een bloederige voorgeschiedenis. Is dat zo voor eenieder van ons?

Altijd. Als schrijver hoef ik mijn fantasie bijna nooit te gebruiken omdat ik zoveel verhalen cadeau krijg. Dan ben ik liever een soort spons: verhalen liggen overal op tafel. Iedereen die in zijn eigen geschiedenis duikt, vindt wel een traumatisch of bloederig verhaal. Dat is de schoonheid van het leven: je botst op vergankelijkheid en vroeg of laat ook op de dood. Zonder de dood bestaat het leven niet. En “ook de dood verdient een dansje”, zoals Grace (Ellen Barkey, red.) zegt.

Je toont in De Blinde Dichter dat de hele geschiedenis uit gruwelijke details is opgetrokken. Is er dan geen hoop volgens jou?

Globaal gezien leven we beter, maar om nu te zeggen dat er veel hoop is… Ik denk dat de tijden niet anders zijn dan vroeger. Dat is het grootste verwijt naar media, politici en intellectuelen toe: zij geven aandacht aan het negatieve, waardoor iedereen ook bedrukt dreigt te raken. Mijn werk kan dan wel een soort somberheid in zich dragen, ik probeer daar steeds een levensenergie tegenover te stellen. In De Blinde Dichter zit die energie bijvoorbeeld in de keuze om de muziek live te brengen.

Benoît Gob, een van de acteurs uit De Blinde Dichter, zegt: “Les images historiques montrent toujours les destructions”. Tegenover de kleine geschiedenis met al zijn vernielingen plaats jij de grote liefde. Is liefde altijd het hoofdthema van Needcompany geweest?

Liefde en dood, of beter Eros en Thanatos, zijn toch de drijfveer van alle goeie kunst voor mij. Daar raak je aan de essentie van het leven. En theater is bij uitstek een interessant medium daarvoor, net omdat het zo vergankelijk is en – ik heb dat al dikwijls gezegd – omdat het niet kan worden gerecupereerd.

Een ander terugkerend thema van Needcompany is identiteit. Die is gebouwd op drijfzand, laat je in de voorstelling zien.

Het thema identiteit fascineert mij omdat er zo’n valse klemtoon op wordt gelegd. Eigenlijk vind ik dat een heel moeilijke discussie. ‘Men is waar men geboren is’. Een kunstenaar die aan de grens met Libanon wordt geboren, denkt anders dan een kunstenaar uit Antwerpen, zoals ik. Maar je geboorteplaats is helemaal geen verdienste, dat is stom toeval! Iets waar je beter over zwijgt, vind ik.

De Blinde Dichter 3 (c) Maarten Vanden Abeele

De Blinde Dichter (c) Maarten Vanden Abeele

Blijft het meeste van wat je in jouw State of the Union uit 2005 schreef, vandaag nog overeind? Je sprak over theater als miskende kunst, theater dat niet rendabel kan zijn, niet de massa maar het individu moet aanspreken, subsidie nodig heeft om te overleven…

Absoluut! Subsidie is er om een minderheid een stem te geven. Ik begrijp echt niet dat er meer subsidies gaan naar de beveiliging van voetballers die miljoenen per dag verdienen, dan naar kunst. Het elftal van Anderlecht, wat zij verdienen… Daar kan je tien jaar theater mee maken.

Bij de laatste subsidieronde is het beschermen van die minderheid mislukt. Kan de kunstensector daar zelf iets aan doen?

Met de subsidies voor Needcompany zijn we nu terug op het niveau van 2013. Wij kunnen voort, maar hebben van ons hart een steen moeten maken. Het resultaat is dat er ontslagen zijn gevallen en het ensemble van Needcompany eigenlijk niet meer bestaat. Het moeilijke punt is ook: als wij geld geven aan een andere groep, moeten we bij ons nog meer mensen ontslaan. Je kunt niet sociaal zijn met die subsidies. Je kunt wel samenwerken, maar met een groep die niet meer bestaat, gaat dat ook niet. Het is een patstelling. Meerdere mensen zijn er wel over bezig in de kunstsector, maar het is een heel delicaat en moeilijk probleem.

Je ideeën van elf jaar terug over de scheiding tussen kunst en politiek, sta je daar nu ook nog steeds achter? Politiek theater lijkt vandaag een nieuw elan te beleven, met concrete vragen en een fundamenteel zoeken naar alternatieven.

Maar wat is politiek theater, en vooral: wat is de boodschap? Dat is een semantische discussie. Ik denk dat mijn theater absoluut politiek is… maar men verwart politiek met partijpolitiek of het innemen van een duidelijk standpunt. Ik denk niet dat theater die vraag moet oplossen.

Gisteren had ik een gesprek Aishti Muat, die ik toch een heel belangrijke schrijver en theatermaker vind. Muat is niet zo bekend in België, hij is twintig jaar geleden uit Libanon gevlucht, heeft een enorme carrière gemaakt, de Palme d’Or gewonnen met zijn film Incendie. Heel politieke dingen allemaal. Maar nu is hij intendant van La Colline, een groot stadstheater in Parijs en krijgt tientallen mails en scripts toegestuurd van Palestijnen en Irakezen die zeggen: “Als Muat daar zit, kunnen wij ons ding er doen.” Maar als zelfs documentairemakers, politici, intellectuelen of filosofen er niet in slagen om daar iets zinnigs over te zeggen, wie zijn dan de kunstenaars?

Kunst moet over poëzie gaan, over taal, over bijvoorbeeld een schilderij op zich. Maar ook dat is politiek. En dat vergeet men. Als de vorm niet goed is, is politiek theater gewoon slecht theater. De kunstenaar is met vorm bezig, en die vorm moet een link hebben met de maatschappij. We zitten wel nog altijd met een middenklasse in theater die ik totaal verdedig. En er is een vrijheid van komen en gaan in een zaal, dat is opnieuw een politiek gegeven. Toch moet je kunst autonoom blijven bekijken, anders gaan we allemaal hetzelfde doen en dat zou jammer zijn.

Tags: , , , ,