het Theater Festival
do vr za zo ma di wo
08 09 10 11 12 13 14
15 16 17 18      

2015 – State of the Union

za 05 sep 2015

 

 © Dries Segers

© Dries Segers

Goede avond,

Dank u Charlotte, Kristof, Michiel, Séba … De nieuwe redactie van Etcetera. Zo’n opmaat door de jongere generatie, zo’n State of the Youth, betekent natuurlijk dat de State of the Union volwassen zal zijn, of niet zijn.

Zelf ben ik me aan het voorbereiden op mijn vijftigste verjaardag. Hoe wil ik dat ronde cijfer dat mijn leven ongevraagd markeert, toch betekenis geven? Waar ga ik op inzetten, wat laat ik (eindelijk) achter mij? En wat voor feest wil ik geven?

In haar boek ‘Waarom zou je volwassen worden?’ merkt filosofe Susan Neiman op dat er maatschappelijk gezien niet veel animo is om volwassen te worden. Ouder worden is een schrikbeeld. De kindertijd en de jeugd worden als de mooiste jaren van ons leven voorgesteld, terwijl bij het opgroeien de ene na de andere onrechtvaardigheid diepe gaten slaat in ons vertrouwen in de wereld. Mensen, dingen, gebeurtenissen komen hun beloften niet na. Met name wanneer de teleurstelling te maken heeft met het niet nakomen van een morele verbintenis, roept dat woede op.

De kloof tussen hoe de wereld is en hoe ze behoort te zijn, is onherroepelijk, en wordt door de jaren heen keer op keer bevestigd. De afgesproken normen en waarden worden in werkelijkheid vaak verraden of geveinsd. Je wordt teleurgesteld en je stelt zélf ook teleur.

Voor Neiman heeft filosofie altijd iets normatiefs, en ze schuwt dan ook geen resolute uitspraken.

Zo ziet zij bijvoorbeeld de niet aflatende drang om onrecht te ontmaskeren, om niet ingeloste beloftes continu aan te klagen, als adolescent gedrag. Vooral wanneer de ontmaskeraar meegesleept wordt door de eigen spitsvondigheid. Doodvermoeiend en het helpt niet.

We kunnen onszelf ook beschermen tegen meer teleurstellingen door gewoon onze verwachtingen bij te stellen. Je neemt je voor alle oprechtheid voortaan te wantrouwen. De conclusies uit je slechte ervaringen vormen de basis van je wereldwijsheid. Het heet scepticisme en er is geen speld tussen te krijgen. Maar brengt het iets in beweging?

Het meest voorkomend beeld van volwassenheid, is berusting. Voorgesteld als een natuurlijk proces dat synchroon loopt met onomkeerbare verouderingsverschijnselen, roept het iets fatalistisch op. De saaiheid die er ook nog eens aan kleeft, maakt het nog onaantrekkelijker.

Wat dan wél weer mobiliserend werkt is het besef dat de huidige wereldorde erbij gebaat is om ons onmondig en klein te houden. Vooruit dan. Er zijn genoeg redenen om kwaad, bezorgd en ongeduldig te zijn.

Leunend op het Verlichtingsdenken, ziet zij de ontwikkeling van het oordeelsvermogen als belangrijkste voorwaarde voor volwassenheid. Oordelen kan echter niet worden onderwezen, je leert het al doende.

De opdrachten die zij hieraan toevoegt, komen rechtstreeks uit de 18de eeuw, en zijn van Immanuel Kant:
1. zelf denken
2. vanuit de positie van ieder ander (persoon) denken
3. altijd in overeenstemming met onszelf denken

De kwaliteiten die je nodig hebt, zijn niet nòg meer kennis, maar moed, vastberadenheid, generositeit. Het ontstaat bij een pijnlijk realiteitsbesef, maar weet ook dat kritiek geven niet de enige vorm van intelligentie is. Het begint bij de heroverweging, wanneer vanzelfsprekendheden fundamenteel bevraagd worden, …

Ook ik vond, na 100 pagina’s, deze uitkomst niet heel spectaculair. En toch kan ik hier iets mee. Het maakt me opnieuw bewust van de houdingen die je op elk moment aan kan nemen. Vanwaaruit je denkt en werkt, en waarmee je de wereld instapt. Ik herken ze allemaal, in mezelf en rondom mij. Maar Susan Neimans oproep voor volwassenheid brengt mij in een staat van paraatheid.

Door die lens heb ik gekeken naar het Vlaamse theaterveld.

Het nieuwe kunstendecreet draagt de belofte in zich van een verrassende verschuiving in het kunstenveld. Het biedt meer ruimte om organisaties vorm te geven op een manier die past bij de kunstenaars, hun behoeftes en ambities. Het decreet nodigt uit om de drijfveren en de essentie van je werking te bevragen en opnieuw te definiëren.
Wat wil je zélf? Aan welke functies verbind je je? Waarom? Wat vind je belangrijk? Existentiëler dan ooit. Je wordt, zo zou je kunnen zeggen, als volwassene aangesproken.

In Nederland werd het kunstenveld vier jaar geleden als een klein kind in de hoek gezet en ging van de weeromstuit bijna hyperventileren door de combinatie van zelfverantwoording en kwantitatieve bewijsvoering. Subsidie per geplande voorstelling. Subsidie afhankelijk van het aantal stoelen in de zaal. Zaalbezetting werd hét ijkpunt en publiekscijfers domineerden de framing van het hele kunstenlandschap.
Hier in Vlaanderen, staat de visienota bol van de welgemeende waardering. De naakte publiekscijfers kunnen niet als dreigend argument gebruikt worden, want er is geen probleem met publieksaantallen. En zelfs al is de publieke opinie doordrongen van populistisch en conservatief gedachtengoed, de Vlaamse theaterwereld kan vanuit een gezond zelfvertrouwen een kwàlitatieve visie ontwikkelen en ambities formuleren over hun toekomstig publiek, de samenstelling ervan, de betrokkenheid met hen en de manier van communiceren. Het is een luxe die niets afdoet aan de verplichting.
Ik neem aan dat ik hier vandaag niet de enige ben die deelneemt aan het Burgerkabinet van Sven Gatz. Dan heeft onze nieuwsgierigheid naar onvermoede observaties en uitwisselingen het gehaald boven het sceptische weten waar dat gesprek waarschijnlijk wel naartoe zal leiden. Het is wat laat om het in de dossiers mee te laten spelen – ik heb de indruk dat iedereen al bezig is met het tellen van tekens. En ik ben op mijn hoede voor hoe de minister met de uitkomst zal omgaan.

Kijken we over de deadline van 1 oktober heen, dan begint het grote beoordelen en verdelen. Telkens weer ervaren we een kloof tussen de wereld zoals die is en de wereld zoals die behoort te zijn: er is niet genoeg geld voor iedereen. Het is een situatie, die ons voorgeschoteld wordt als onvermijdelijk, maar eigenlijk een politieke, ideologische keuze is. Het is een situatie die anders zou kunnen zijn. Hoe gaan wij daarmee om?

In Vlaanderen haalt de minister de hete aardappels uit het vuur, geadviseerd door commissies.

Maar Sven Gatz’ solo-interventie bij het verdelen van de projectsubsidies baart de hele sector zorgen over de behandeling van de meerjarendossiers.

Het protest hiertegen – aangepord door onvermoeibare voortrekkers en scherpschrijvers – toont aan dat deze sector breed gemobiliseerd kan worden voor een zaak die slechts enkelen direct aangaat. Toen we met z’n allen in de zee stonden, de schaamte en het koude water overwonnen, bleek het vrij moeilijk om ìn de golven het water aan de lippen te houden. Maar het gevoel ontstond dat deze groep rillende, kirrende, tegen elkaar klotsende theatermensen, samen tot veel meer in staat zijn. Misschien wil de minister zijn beslissingen wel terugdraaien hierdoor.

Zouden we kunnen voorkomen dat projecten en gezelschappen wisselgeld worden in een politieke dynamiek die met inhoud niets te maken heeft, zelfs niet ideologisch is, maar wellicht puur partijpolitieke deals moet mogelijk maken?

Ik heb me afgevraagd of we een Vlaams Fonds voor de Podiumkunsten nodig hebben. Het argument tegen is: een fonds houdt de discussie te veel op afstand van de politiek, kunst verdwijnt van de agenda, en daarmee vervliegt haar publieke belang. Het hing wel een tijdje als optie in de lucht, onder de verdachte naam ‘verfondsing’. Toch hoeft het niet te zijn zoals het klinkt. Drie argumenten vòòr, geïnspireerd door de fondsen in Nederland:

1. Een fonds voert overheidsbeleid uit, functioneel: het moet subsidies verdelen. Het maakt zelf ook beleid, op basis van de behoeftes uit het veld, stelt prioriteiten en ontwerpt regelingen. In die bemiddelingsrol, zit de potentiële invloed op de politiek.

2. Een fonds als instituut creëert massa, kan bij de politiek gewicht in de schaal leggen. Een fonds bevecht de eigen financiële ruimte on behalf of. En kan ook urgente thema’s op de agenda zetten on behalf of. Naast de grote instellingen, die een steeds belangrijker deel van het budget opslokken, is zo’n stevige onderhandelingspartner nodig. Met name de kleinere subsidies, niet alleen voor projecten maar ook voor een groeiend aantal (zelf)organisaties en autonome initiatieven, zijn hierbij gebaat. Zo heeft het Fonds Podiumkunsten in Nederland het afgelopen jaar, toen er middelen vrijkwamen voor talentontwikkeling, samen met jonge makers en hun mentoren uit het veld, met de minister onderhandeld over de verdeling en besteding daarvan. Dit was strategisch politiek bedrijven. Dit was lobbyen ja – niet om democratische procedures te ontwijken voor het eigen belang, maar om met verenigde kracht beleid af te dwingen voor een gedeeld belang. Precies de mentaliteit die we kennen uit het breed gedragen protest hier.

3. Ik zie in Nederland steeds meer regelingen ontstaan rond combinaties van kunstenaars en productiehuizen of festivals. Opvallend daarbij is het vertrouwen dat gesteld wordt in de integriteit, de artistieke keuzes en de professionaliteit van alle betrokken partijen. Daardoor hoeven (vooral startende) kunstenaars niet meteen volledig dichtgetimmerde productieplannen te presenteren. En beoordelingsprocedures worden licht. Ik ervaar dat als een mentaliteit van gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen. Behoorlijk volwassen.

En natuurlijk staan we nog ver van een ideale wereld, en valt er veel op af te dingen, maar daar heb ik nu geen tijd voor en het past niet in mijn betoog. Dus.

Want. Stel. We hebben een Vlaams Fonds voor de Podiumkunsten. Het beschikt over een eigen, vastgesteld budget, en dat is te weinig. Dat zou zomaar kunnen. Misschien moeten we dan zelf denken, vanuit de positie van ieder ander denken, en in overeenstemming met onszelf denken. Om iets los te wrikken. Om iets in beweging te zetten.

Een inspirerend voorbeeld komt uit een andere sector, de academische wereld, waar een onderzoeker heeft aangetoond dat als binnen de Nederlandse universiteiten, alle mannen hetzelfde zouden verdienen als alle vrouwen in dezelfde functie, er geen bezuinigingen nodig zouden zijn. Waarom is dit voorstel zo krachtig, waarom veroorzaakt het zo’n deining? Omdat het tegelijk ontmaskert en oplost, pragmatisch en idealistisch is, moedig en ethisch. Het werkt binnen bestaande structuren en het biedt een reëel alternatief. Het is niet uitgevoerd, maar het bestaat.

Terug naar ònze denkoefening. Er is druk op de middelen, er moet ruimte gemaakt worden.

In de huidige debatten worden bepaalde categorieën openlijk geviseerd: de dinosaurussen moeten ermee ophouden, er moet in het middenveld gesnoeid worden. Laten we beginnen met te erkennen dat stoppen indruist tegen een menselijke behoefte aan zekerheid, tegen de ijdele trots van velen en tegen het perspectief van een levenslange, toegewijde ontwikkeling. We hebben niet geleerd te stoppen, en we worden er ook niet bij geholpen. Er is moed voor nodig.

In plaats van ons te haasten die directeurs, gezelschappen, makers aan te wijzen die vervangen moeten worden – wil ik stilstaan bij een mentaliteit die ons misschien meer in de weg staat.

Die mentaliteit noem ik – provocatief -: het ontlenen van rechten aan kunstenaarschap. Het idee dat als je eenmaal in het bestel zit, en als je goed of niet slecht bezig bent, je dan het recht hebt om voort te doen. Het idee dat je recht hebt om te kunnen blijven groeien. Dat je recht hebt om veel te doen en alles zelf te doen. Je moet alles op alles zetten om daarbinnen te geraken, want enkel dààr vind je de gepaste waardering voor je werk. Zou het kunnen dat de professionalisering van de sector hier voor iets tussenzit?
Ik las ergens dat wij met z’n allen, de mensen binnen de kunstwereld, door zo goed als iedereen die daarbuiten staat, als geprivilegieerd worden aanzien. In hun ogen zijn wij geluksvogels, zondagskinderen. Ook zonder zicht op pensioen en een fatsoenlijke CAO schaal, is dat de perceptie. Ik heb natuurlijk de drang om dat luidkeels tegen te spreken, maar voel ook de kracht van die herkadering. Wat zijn de privileges van de kunstenaar? Een kleine greep: het voorrecht om vanuit gedeelde goesting en urgentie te werken, tot het over is. Het voorrecht om parasiet te zijn of opportunist. Het voorrecht om aan therapie te doen zonder diploma, aan politiek te doen zonder partijkaart, …

Denken in termen van recht hebben, lokt ontevredenheid uit, en dat heeft iets puberaals. Denken in termen van privileges roept de vraag op hoe je die gaat inzetten, doet een appel op generositeit. Een recht wil je houden, een geschenk kan je delen.
We hebben de keuze. Vasthouden aan de artistieke autonomie als alfa en omega voor je werk en plek binnen het bestel of vanuit je artistieke vermogen je verhouden tot de publieke ruimte, in of buiten het theater. In of buiten het bestel?

In zijn panoramisch essay ‘Hoeveel stad verdraagt de kunst?’ schetst Erwin Jans het spectrum van mogelijke verhoudingen tot de publieke ruimte, vier kwalificaties van openbaarheid in de artistieke praktijk: “De conflictruimte staat voor de mogelijkheid tot een politieke discussieruimte, de ademruimte staat voor de mogelijkheid om vanuit een artistieke instelling een breed sociaal netwerk van ontmoetingen uit te bouwen, de vrijruimte staat voor de noodzaak van het op voorhand niet ingevulde experiment en de speelruimte staat voor de mogelijkheid tot handelen, creativiteit en engagement.”

Zo bekeken, verschijnt de potentiële praktijk van de kunstenaar als een horizon die verder reikt dan het bestel as we know it. Zo ontstaat ruimte. Het begrip “podium” wordt vloeibaar, traditionele rollen kunnen worden getransformeerd. Een directeur kan part-timedocent worden, een acteur kan betrokken worden bij het ontwikkelen van zorgrobots, een regisseur kan gesprekken leiden in een bedrijf, … Wie het hedendaagse kunstenveld volgt, weet: het gebeurt al. Maar het wordt niet altijd gezien zien als een extensie van je artistiek vermogen. Enkel als wij die veelvormige praktijken ook kunnen waarderen, zullen we ze zélf ook in overweging kunnen nemen.

Als er te weinig geld is voor alle plannen – jullie begrijpen dat ik deze aanname gebruik om het betoog dwingender te maken – sturen we dan enkel aan op de keuze tussen stoppen of doorgaan? Blijven we roepen dat 1% van het Bruto Nationaal Product naar cultuur moet gaan? Blijven we het globale systeem ontmaskeren als inherent onrechtvaardig? Wie dat doet heeft overschot van gelijk en mag hier vooral mee doorgaan. Maar of dat volwassen is op de manier die Neiman ons heeft voorgesteld. Nee. Het is niet voldoende.

De moed hebben voor een intieme en collectieve zelfbevraging, die niet gericht is op vervangen maar verdelen. Onszelf de vraag durven stellen: op welke manier draag ik bij? Onze aanspraken op een plek in het bestel durven herdenken. Ja.

Willen we dat onze geprofessionaliseerde sector ook volwassen wordt? Dan zijn er ook nieuwe beleidsinstrumenten nodig. Het kunstenaarsstatuut kan versterkt en diverser ontwikkeld worden. Een systeem van mandaten voor alle gezelschappen en instellingen lijkt me zinvol – een mandaat werkt eigenlijk als een soort van projectsubsidie: je stelt jezelf doelen voor een beperkte periode. Aanvullende financiering, daar is nog veel in te winnen. Een kleine observatie: Vlaanderen, één van de rijkste regio’s ter wereld, heeft de hoogste dichtheid van kunstverzamelaars. Maar bij mijn weten bestaan er nauwelijks fondsen met privaat geld, die geld wéggeven in plaats van investeren. In Nederland, waar de belastingvoet lager is, maar de belastingsmoraal hoger, zijn er tientallen particuliere fondsen die culturele projecten financieren.

Maar ik ben geen beleidsinstrumentenbedenker, ik leid een masteropleiding voor theatermakers. Daar heb ik twee dagen geleden mijn openingswoord bij het begin van het academiejaar afgesloten met een citaat. Het is van Irit Rogoff, bevlogen curator, theoretica en docente aan Goldsmiths in London. In de publicatie ‘Visual Cultures as Seriousness’ trekt ze het begrip ‘seriousness’ naar zich toe – ver weg van het pompeuze, gewichtige. Niet gericht op wat ‘important’ is, maar gevoelig voor wat ‘significant’ is. Voor mij is het een echo van Neimans betoog voor volwassenheid, alleen heeft Rogoff, net als wij, het privilege om deel uit te maken van die grote bewegende kunstwereld.
‘Seriousness’ laat zich moeilijk naar het Nederlands vertalen. Daarom, met permissie Miss Irit Rogoff, en enkel voor deze gelegenheid, zal ik het woord vervangen door volwassenheid.

“De dingen volwassen aanpakken is in mijn ogen al een standpunt innemen tegen cynisme. (…) Volwassenheid. Ik wil het nastreven, niet als een pose, maar als een proces. Eén van de ingrijpendste veranderingen in de hedendaagse kunst is dat we er niet langer van buitenaf naar kijken, omdat er niet langer sprake is van afgebakende objecten, of omdat er überhaupt niet altijd tastbare objecten te zien zijn. (…) De kunst van nu kan zoveel vormen aannemen: het kunnen processen zijn, ruimtelijke interventies, educatieve of pedagogische initiatieven, uitwisselingen, conversaties, bijeenkomsten, tegengeluiden, verkenningen, re-enactments – dat allemaal. (…) We bewonen dat gebied. En als dusdanig kunnen we het niet op een cynische manier benaderen. “

Barbara Van Lindt
3 September 2015

Dank u Maaike Bleeker, Juul Beeren, Leen Laconte, Ellen Walraven, Ann Olaerts, Barbara Raes, Annemie Vanackere, Willem de Wolf, Het Transitiebureau (Anne Breure, Fanne Boland, Marijke Hoogenboom, Emke Idema, Tobias Kokkelmans, Anoek Nuyens, Lara Staal, Simon van den Berg

Bekijk the State of the Union hier (0:44-1:12): livestream

Tags: